De scheidslijn tussen de bevoegdheden van de ondernemingsleiding enerzijds en aandeelhouders anderzijds is door wet- en regelgeving de afgelopen jaren aan verandering onderhevig geweest. Deze veranderingen zijn in het voordeel van aandeelhouders uitgevallen.

Voorbeelden zijn de code Tabaksblat, de introductie van het  agenderingsrecht voor één procent aandeelhouders en het goedkeuringsrecht bij belangrijke beslissingen van de ondernemingsleiding die de identiteit of het karakter van een onderneming wijzigen.

De bevoegdheid van aandeelhouders om zich met het beleid en de strategie van de vennootschap te bemoeien is echter naar Nederlands recht nog steeds in beginsel beperkt. In recente jurisprudentie is herbevestigd dat bij een verschil van inzicht tussen de ondernemingsleiding en de aandeelhouders over de door de onderneming te voeren strategie de discussies daarover moeten worden bezien in het kader van het Nederlands vennootschapsrecht en de heersende opvattingen over het vennootschapsrecht.

Kort gezegd komen deze erop neer dat het bepalen van de strategie, in beginsel een aangelegenheid van het bestuur is. Als een Raad van Commissarissen is ingesteld moet deze daarop toezicht houden. Aandeelhouders kunnen hun opvattingen tot uitdrukking brengen door uitoefening van de hun in wet en statuten toegekende rechten.

Grenzen
Het bestuur heeft een grote mate van autonomie in dit stelsel om op basis van weging van het vennootschappelijk  belang zijn besluiten te nemen. Dit houdt in dat het bestuur op basis van weging van de belangen van de stakeholders, waaronder de belangen van de aandeelhouders, zijn besluitvorming moet inrichten. Tot zover de regels waaraan directie en commissarissen de bevoegdheden kunnen ontlenen om zich te verzetten tegen aandeelhouders die hen dwarsbomen bij het realiseren van het door hen gezette beleid. Daar is echter ook een maar aan verbonden.

De aandeelhouders kunnen natuurlijk de ondernemingsleiding naar huis sturen al zij het niet eens zijn met het beleid. Ook daaraan zijn grenzen verbonden. Die komen ondermeer voort uit de rechtsmacht van  de Ondernemingskamer. Deze rechterlijke instantie kan bepaalde maatregelen treffen waardoor snode plannen van aandeelhouders om zich te ontdoen van een hun onwelgevallige directie en commissarissen aan banden worden gelegd. De Stork-zaak is daarvan een goed voorbeeld, waarbij het overigens om een structuurvennootschap gaat.

Er zijn echter ook andere voorbeelden uit de jurisprudentie waaruit blijkt dat aandeelhouders niet hun (meerderheids)machtspositie kunnen misbruiken. Het vinden van een juiste balans tussen de met name aan het einde van de vorige eeuw gewenste toename van de macht van aandeelhouders en de stemmen die nu opgaan om die macht weer in te perken is een hele toer. Hoe het debat daarover uitvalt, is nog niet goed te voorspellen.

Johan Kleyn, overnamejurist bij Allen & Overy.