Thuiswerken wordt een blijvertje op kantoor

Groeiende tevredenheid, maar gezondheid raakt in de knel.

Eind 2020 werkte bijna de helft van de werknemers thuis. Maar er is nog ruimte voor groei: veertien procent van de werknemers die nog niet (volledig) thuis werkt, geeft aan dat dat wel meer zou kunnen. Bijna een op de vier werknemers geeft aan ook na de COVID-19 pandemie grotendeels vanuit huis te willen werken.

Dit blijkt uit de laatste meting van het NEA-COVID-19 onderzoek van TNO. Eind 2020 werkte 48 procent van de werknemers thuis. Een derde (35%) deed dat volledig, veertien procent combineerde thuiswerken met werken op locatie. Niet al het werk dat thuis gedaan kan worden, gebeurt ook thuis. Bijna een op de zeven (14%) werknemers die niet volledig thuiswerkt, geeft aan dat zij hun werk ook meer thuis zouden kunnen doen. Dit is negen procent van alle werknemers.

Ongeveer de helft van deze mensen (4,4% van alle werknemers) gaat toch naar het werk omdat het bedrijf dat wil. De andere helft (4,8% van alle werknemers) doet dat omdat ze dat zelf willen.

De arbeidsomstandigheden van thuiswerkers zijn nog niet ideaal: 45 procent van de thuiswerkers heeft behoefte aan extra middelen voor een goede werkplek. Daarnaast zijn thuiswerkers nog meer gaan zitten. Bijna negentig procent zit minstens zes uur per dag achter een beeldscherm, op een gemiddelde werkdag van bijna acht uur. Ook in de vrije tijd zitten thuiswerkers nog eens vijf uur, een uur en driekwartier meer dan eind 2019 en drie kwartier meer dan van de zomer.

Toch zijn er ook positieve signalen. Zo is er een duidelijke afname in ongewenst gedrag, zowel van klanten als van collega’s of leidinggevenden. Ook laat het onderzoek geen toename in de fysieke en mentale klachten van thuiswerkers zien. Al met al is drie op de vier thuiswerkers op dit moment tevreden met het leven.