De opkomst van een middenklasse in China en India leidt tot een grotere consumptie van voedsel, water, energie en metalen. Een veilige levering van deze stoffen is in de toekomst dan ook niet gegarandeerd. Naast China en India zijn er ook andere opkomende landen die willen wat consumenten in Noord-Amerika, Europa en Japan al hebben. Op veel fronten wordt dan ook gestreden om de controle over grondstoffen, stelt Geoff Hiscock, die in Earth Wars - The Battle for Global Resources mogelijke conflicten en winnaars in de strijd om almaar schaarser wordende grondstoffen schetst.


Toegang tot water is zo’n strijdtoneel. Volgens voormalig vicepresident Serageldin van de Wereldbank kunnen toekomstige oorlogen zelfs om water gaan. Hiscock benoemt een aantal conflicthaarden op dit gebied. Zo heeft China waterkrachtplannen voor de Yarlung Zangbo. Die moeten 40.000 MW aan energie opleveren – alleen zijn India en Bangladesh, waar de Yarlung Zangbo de Brahmaputra wordt, daar niet zo blij mee. Plannen om waterkracht te benutten kunnen immers leiden tot problemen in de watervoorziening (en daarmee de voedselvoorziening). Er is angst voor een dalend waterniveau, verlies aan vis- en diersoorten, mogelijke vervuiling en bevolkingsmigratie.

Andere door Hiscock weergegeven geschilpunten gaan onder meer over de Nijl in Afrika en de Indus tussen India en Pakistan. Als angstvoorbeeld wijst Hiscock naar de drooglegging van het Aralmeer. Dit was eens het op vier na grootste meer ter wereld, maar de wens om een katoenindustrie te ontwikkelen heeft het water vervuild en uiteindelijk geleid tot het droogvallen ervan. Hiscock hoopt dat vooral de landbouwsector in landen zoals India efficiënter met water zal omspringen. Ook moet vervuiling van water worden teruggedrongen. Dit verkleint de kans op conflict.


Energie
Op energiegebied geeft Hiscock aan dat het tijdperk van eenvoudig te verkrijgen energiebronnen (olie, gas) afgelopen is. Een alternatief als steenkool is te vervuilend, kernenergie is sinds Fukushima te gevaarlijk, windenergie nog te onbestendig, zonne-energie te duur en waterenergie (stuwdammen) te ontwrichtend, terwijl schaliegas de samenleving splijt. De rol van duurzame energie zal zeker toenemen, maar is vooralsnog onvoldoende om de energiemix drastisch te veranderen.

De komende decennia blijven traditionele energiebronnen zoals steenkolen, olie en gas nog een grote rol spelen. Zo voorspelt het International Energy Agency (IEA) een ‘gouden eeuw’ voor gas, waar vooral Rusland garen bij zal spinnen. Kolen blijven echter dominant. Kolen zijn verantwoordelijk voor 40 procent van de wereldwijde energieopwekking, met 52 procent in India en 70 procent in China. Wel wil China de energiemix en de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen veranderen en zet het volop in op windenergie en zonne-energie. Ook heeft het land nog steeds 25 nieuwe kernenergiecentrales in de planning staan.


Metalen
Hiscock opent het deel over metalen met een treffend citaat van de CEO van mijnbouwconglomeraat Rio Tinto. De CEO stelt dat de wereld de komende dertig jaar evenveel koper zal consumeren als de afgelopen tienduizend jaar. Als recent ‘front’ is daaraan recentelijk dat van de ‘zeldzame aarden’ toegevoegd, bestaande uit bijvoorbeeld scandium, ytrium en lanthanum. Deze aardmetalen wordt verwerkt in onder meer batterijen (hybride en elektrische auto’s, iPads), led-televisies, lasers en (permanente) magneten (onder meer in windturbines). In 2010 en 2011 heeft China de export van aardmetalen teruggebracht om de eigen consumptie veilig te stellen, wat bij vooral Japanse elektronicaproducenten als een mini-oliecrisis werd ervaren.

Overigens zijn de zeldzame aarden niet altijd even zeldzaam, maar gaat het vooral om het grondstofgehalte, dat vaak laag is en dus een bewerking vereist, en de technische winbaarheid van de grondstoffen. Ook duurt het vaak een jaar of tien om een mijn op te starten, zodat vraag en aanbod niet gemakkelijk bij elkaar kunnen worden gebracht. Op dit moment is er geen tekort aan bijvoorbeeld lithium, maar de wedloop, zelfs waar het lithium betreft, dient vooral om de (toekomstige) waardeketen te kunnen beheersen en de toegang veilig te stellen.

De strijd om grondstoffen kent een territoriale component. Aloude discussies over soevereiniteit en rechten op gebieden nemen in intensiteit toe wanneer er grondstoffen in het spel zijn. Een greep uit de geschillen. China en India ruziën over het Arunachal Pradesh-gebied (olie, steenkool en waterkracht), China heeft onenigheid met Japan over de Senkaku-eilanden (olie en gas) en Turkije met Syrië en Irak (Turkse dammen hebben gevolgen voor de watervoorziening stroomafwaarts).


Strijd tussen bestuursvormen
De grondstoffenstrijd is tegelijk een strijd tussen bestuurs- en maatschappijvormen. De energiebedrijven en mijnbouwconcerns uit China, Rusland, Brazilië en India zijn vaak staatsbedrijven. De vervlechting tussen staat en bedrijfsleven maakt het voor westerse bedrijven lastig om te concurreren. Zo is in Afrika een deal met de BV China aantrekkelijker dan een deal met een westers bedrijf, dat niet in staat is een ‘one-stop-shop’- concept te verzorgen.

Hiscock haalt het voorbeeld aan van de overeenkomst die China gesloten heeft met de Democratische Republiek Congo. Wegen, spoorwegen, ziekenhuizen, scholen, universiteiten door China te bouwen, in ruil voor koper en kobalt. Ter illustratie: de tien belangrijkste oliebedrijven (in termen van olievoorraden) ter wereld zijn allemaal staatsbedrijven. Zo zijn de drie grote Chinese olieconcerns actief in Iran, waar dat voor westerse bedrijven minder goed mogelijk is. De kwetsbaarheid van westerse bedrijven wordt nog eens versterkt door de mogelijkheid dat milieugroeperingen er de publieke opinie beïnvloeden. Het is voor demonstranten in ieder geval veiliger om op de stoep te gaan staan bij Shell dan bij een Russisch of Chinees (staats-) bedrijf.


Nieuwe opkomende landen
Hiscock ziet de BRACQK-landen als de nieuwe BRICs. De overvloedige aanwezigheid van grondstoffen in Brazilië (olie, ethanol), Rusland (olie, gas, metalen), Australië (lng, metalen), Canada (olie uit teerzand), Qatar (lng, olie) en Kazachstan (olie, metalen) maakt deze landen aantrekkelijk voor investeringen.

Ook Turkije, Iran, Indonesië en Mexico (TIIM) komen bij Hiscock als opkomende landen in beeld. Turkije is weliswaar geen belangrijke producent van metalen of energie, maar fungeert wel als scharnierpunt in de handel tussen Europa en het Midden-Oosten. De voormalige president van Brazilië Lula betitelde de ontdekking van het Tupi-olieveld als de tweede onafhankelijkheid van Brazilië.

Een land als Mexico haalt al bijna een derde van de overheidsbegroting binnen uit de olie-industrie, en voor Rusland is dit bijna de helft (olie en gas). Hiscock heeft hoge verwachtingen van Rusland, doordat het simpelweg zowel in olie als in gas over de meeste voorraden beschikt, maar ook nog veel onbenut potentieel op het gebied van metalen bezit. Als Rusland de corruptie kan beperken, logistieke kwesties over Arctische winning kan oplossen en de pijpleidingnetwerken naar China en Europa kan beheersen, zal Rusland de absolute winnaar van de ‘Earth Wars’ zijn. Deze aspecten worden deels ook onderkend door de Europese Unie. Niet voor niets is een van de zeven belangrijke initiatieven van de Europese Unie in het kader van de Europe 2020-strategie dat van ‘resource-efficient Europe’.

Voor Europa ziet Hiscock onbenut potentieel aan schaliegas en een toename van ‘urban mining’, het recyclen van batterijen en metalen. Recyclen en het verminderen van de vraag naar bijvoorbeeld olie of bepaalde metalen is wat dat betreft niet alleen goed voor het milieu, maar ook een mogelijkheid om de toegang tot bepaalde grondstoffen te behouden.

Politicoloog en scenarioplanner Marc Suters is werkzaam bij Ernst & Young. Hij schreef dit artikel op persoonlijke titel.

Earth Wars – The Battle for Global Resources is geschreven door Geoff Hiscock en uitgegeven door John Wiley & Sons ISBN 978-1-1181-5288-1