Storting op aandelen

Bij uitgifte van nieuwe aandelen is de aandeelhouder wettelijk tot storting verplicht. Die wettelijke stortingsplicht betreft de nominale waarde van de aandelen. Wanneer wordt overeengekomen dat de aandeelhouder meer dan de nominale waarde zal storten, ontstaat een agioverplichting die niet tot de wettelijke stortingsplicht behoort.

Tussen aandeelhouders kan overeengekomen worden dat zij, in bepaalde omstandigheden, gehouden zijn het garantievermogen van de vennootschap te vergroten, bijvoorbeeld door het nemen van nieuwe aandelen of door het verstrekken van achtergestelde leningen aan de vennootschap. In het komend nieuw BV-recht wordt de mogelijkheid geschapen zulke aanvullende financiële verplichtingen ook statutair vast te leggen.


VERJARINGSTERMIJN

Wanneer aandelen op naam worden uitgegeven kan met de nemer van de aandelen worden overeengekomen dat niet het nominaal bedrag wordt gestort, maar minder. In die gevallen ontstaan niet volgestorte aandelen. Het bedrag dat de aandeelhouder op afroep van de vennootschap verplicht is bij te storten heet het opvraagbaar kapitaal, ook wel obligo.

Deze vordering is keihard in de wet verankerd. Zo hard dat werd aangenomen dat de vordering niet kon verjaren. De rechter dacht daar enige tijd geleden anders over en oordeelde dat de vordering tot bijstorting op aandelen verjaart na verloop van vijf jaren. Deze korte verjaringstermijn was verrassend, is volgens mij dogmatisch onverdedigbaar en is in de praktijk buitengewoon lastig te hanteren.

Wanneer de vordering is verjaard kan bijstorting niet juridisch worden afgedwongen en wordt de vraag of de aandeelhouder zijn verplichting nakomt gezien als een morele aangelegenheid, dus een verplichting van moraal en fatsoen. In het kader van de totstandkoming van het aanstaand nieuw BV-recht is van vele zijden aangeraden de verjaringstermijn te stellen op tenminste twintig jaar of te bepalen dat de vordering tot bijstorting niet kan verjaren.

De wetgever slaat deze raad in de wind. In het wetsvoorstel blijft de verjaringstermijn voor het opvraagbaar kapitaal vijf jaar. Dat is lastig, zeker wanneer blijkt dat niet aan de wettelijke eis is voldaan dat tenminste 25 procent van het bij oprichting geplaatst kapitaal is gestort. En dat kan aan de orde zijn wanneer achteraf blijkt dat de gekozen wijze van storting niet kwalificeert.

Een ander probleem is dat de vennootschap steeds tijdig de verjaring van haar vordering zal moeten stuiten door het verzenden van een stuitingsbericht aan aandeelhouders. Wanneer het bestuur dat vergeet, en dat lijkt thans de praktijk te zijn, dreigt verlies van een inbare vordering, in beginsel leidend tot aansprakelijkheid van bestuurders. Wees gewaarschuwd.