Ook niet renderend vermogen aangeven in box 3

In box 3 van de inkomstenbelasting wordt belasting geheven over een forfaitair rendement van vier procent. Het werkelijke rendement doet daarbij niet ter zake. Ook als een vermogensbestanddeel in werkelijkheid geen rendement oplevert, moet het vermogensbestanddeel worden aangegeven en wordt voor de belastingheffing uitgegaan van een rendement van vier procent.

Dit heeft de Hoge Raad onlangs bevestigd. Spaartegoeden en beleggingen moeten in box 3 van de inkomstenbelasting worden aangegeven. Hetzelfde geldt voor vakantiewoningen en ter belegging aangehouden onroerende zaken. Eventuele tegenover dat vermogen staande schulden, mogen op het vermogen in box 3 in mindering worden gebracht.

In box 3 wordt vervolgens een forfaitair rendement van vier procent in aanmerking genomen, dat wordt belast tegen dertig procent. Voorbeeld Stel u heeft een vakantiewoning in Zeeland. De gemiddelde waarde van die woning in 2008 is 250.000 euro.

U heeft die woning deels betaald door een lening aan te gaan van 100.000 euro, waarop u nog niet heeft afgelost. Uw netto vermogen bedraagt dan 150.000 euro. Daarover wordt vier procent forfaitair rendement in aanmerking genomen, ofwel 6.000 euro. Daarover betaalt u dertig procent inkomstenbelasting: 1.800 euro. (Hierbij is eenvoudigsheidshalve geen rekening gehouden met het heffingsvrije vermogen.)

Onafhankelijk van het daadwerkelijke rendement op de vakantiewoning betaalt u dus 1.800 euro inkomstenbelasting. Dus ook als u de vakantiewoning niet verhuurt en dus geen huur ontvangt.

Volgens de rechter heeft de wetgever bewust voor een heffing op basis van een forfaitair rendement gekozen. Daarbij is niet relevant of daadwerkelijk rendement wordt behaald. Ook als geen rendement wordt behaald op een vermogensbestanddeel, moet dat vermogensbestanddeel in box 3 worden aangegeven.

 

Bron: Ernst & Young