Mythes rond eigen risicodragerschap in de WGA

In verschillende publicaties van de afgelopen maanden is regelmatig aandacht besteed aan het eigen risicodragerschap voor de WGA. In deze artikelen worden de risico's aangestipt. Soms terecht, maar er worden ook veel mythes verkondigd. In elk geval is er geen reden om een tijdige oriëntatie op de nieuwe situatie uit de weg te gaan.

In augustus 2006 is vastgesteld dat werkgevers de financiële last van de regeling Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten (WGA) per uitkeringsgeval 10 jaar moeten dragen. Nadien is de door de wetgever beoogde marktwerking op gang gekomen en is de concurrentie losgebarsten tussen private verzekeraars onderling én met het UWV over het verzekeren van dit risico. De in het recente coalitieakkoord opgenomen privatisering van de WGA geeft een interessante nieuwe impuls aan deze concurrentiestrijd.

In het najaar van 2006 heeft het UWV radiospotjes uitgezonden waarin wordt verteld dat het mogelijk is eigen risicodrager te worden voor de WGA. De boodschap die in het spotje doorklinkt is: “Denk goed na voordat u uit het publieke bestel stapt, want er zijn veel aspecten waar u rekening mee moet houden.” De suggestie die het UWV hiermee onterecht wekt, is dat het voor werkgevers beter is om in het publieke bestel te blijven.

Nu waarschijnlijk voor alle organisaties op korte termijn geldt dat publiek verzekeren geen optie meer is, komt de afweging om eigen risicodrager te worden in een ander daglicht te staan. Er zal een verschuiving optreden van oriëntatie op de keuze tussen publiek of privaat naar de bepaling van het juiste moment om de stap te maken en de beste manier om het risico te financieren.

In verschillende publicaties van de afgelopen maanden is regelmatig aandacht besteed aan het eigen risicodragerschap voor de WGA. In deze artikelen worden de risico’s aangestipt, maar worden ook veel mythes verkondigd. In de praktijk blijkt dat de gesignaleerde bezwaren op bijvoorbeeld het vlak van administratie, re-integratie, bezwaarprocedure en verslaglegging niet in samenhang worden beschouwd en vaak uit hun verband zijn gerukt.

Gezien de aankomende privatisering zullen deze aspecten voor alle werkgevers een rol spelen en op enig moment hun invulling moeten krijgen. Hieronder wordt een aantal van deze mythes benoemd en – alvast – ontkracht.


MYTHE 1 - Wij hebben in het verleden al eens gekeken of eigen risicodragen voor de WAO gunstig was: dat was niet het geval en dat zal dus voor de WGA vast ook gelden.

Met de stelselovergang van WAO naar WIA dient zich een bijzondere situatie aan. Door de rentehobbel (opslag op de UWV-premie) die is ingevoerd om een eerlijk speelveld te creëren tussen de private verzekeraars en het UWV, ontstaan situaties waarbij het voor het ene bedrijf zeer profijtelijk is om uit te stappen, maar voor het andere juist niet.

Hier geldt duidelijk dat de ervaring uit het verleden geen logische voorspeller is van de financiële afweging die nu aan de orde is. Daar waar een (grote) besparing wordt aangetoond, geldt overigens in het algemeen dat deze van jaar tot jaar afneemt vanaf het moment van uittreden uit het publieke bestel. Dit pleit er in die gevallen voor om met toch een volledige privatisering in het vooruitzicht – de feitelijke stap zo snel mogelijk te zetten, liefst vóór het moment waarop en masse alle werkgevers in Nederland verplicht eigen risicodrager worden.


MYTHE 2 - Wij hadden een hoge WAO-instroom, daarom is het niet interessant om uit het publieke bestel te stappen.

Bij de bepaling van de publieke premie wordt tevens de historische WAO-uitkeringenlast van de onderneming meegenomen. Uit onderzoeken blijkt dat uitstappen juist voor bedrijven met een hoge WAO-instroom in het verleden in de meeste gevallen een groot financieel voordeel oplevert. Een merkwaardig effect van deze manier van premiedifferentiatie is dus dat bedrijven die het in de WAO-jaren niet zo goed deden qua instroom, nu min of meer uit het publieke bestel worden gedreven.


MYTHE 3 - De premie die bij het UWV wordt betaald, is veel zekerder dan de premie die bij particuliere verzekeraars wordt betaald en fluctueert veel minder.

Bij het UWV fluctueert de premie voor kleine bedrijven tussen de 0,4 en 2,1 procent van de (afgetopte) loonsom en voor grote bedrijven tussen de 0,05 en de 2,8 procent van de loonsom. Deze fluctuaties worden veroorzaakt door de differentiatie in de premieomslag, die gebaseerd is op het werkelijke uitkeringenverloop van een bedrijf. Dit zijn behoorlijk grote uitslagen, waarmee de premie bij het UWV zeker niet stabiel genoemd kan worden.

De fluctuaties kunnen vooral sterk zijn bij bedrijven met minder dan 500 werknemers. Als een bedrijf uitstapt uit het publieke bestel krijgt het de WGA-uitkeringen doorbelast. Hiervoor kan een verzekering worden afgesloten die het financiële risico afdekt (de uitkeringen vergoedt). De private verzekeraar is, mede vanuit concurrentieoverwegingen, op dit moment duidelijk goedkoper dan het UWV.

Het financiële risico wordt afgedekt tegen een gelijkblijvend premie gedurende de contractperiode van meestal 3 jaar. Deze vaste premie is mogelijk omdat verzekeraars rekenen op basis van de wet van de grote getallen en niet op basis van het werkelijke uitkeringenverloop van een afzonderlijk bedrijf. Dit geldt zowel voor kleine als voor grote bedrijven.


MYTHE 4 - Als er wordt uitgestapt, moet er een voorziening worden opgebouwd voor die werknemers die in de WGA terechtkomen. Dit is in het kader van een stabiele balans en verlies- en winstontwikkeling een risico.

Na bestudering van de IFRS-verslagleggingsregels is onze interpretatie dat er zowel bij verzekerd zijn in het publieke bestel als bij eigen risicodragerschap een voorziening moet worden gevormd voor de WGA-uitkeringen die zijn toegekend. Bedrijven die volgens de richtlijn voor de jaarverslaglegging (RJ 271) rapporteren, moeten een voorziening opbouwen als zij uitstappen.

De richtlijn geeft op dit moment aan dat er geen voorziening hoeft te worden opgebouwd als men in het publieke bestel blijft. Dat er in het publieke bestel door de onderneming een voorziening zou moeten worden opgebouwd, heeft te maken met het feit dat het publieke systeem een omslagsysteem is, waarbij voor de voorziene toekomstige uitkering geen balansvoorziening wordt opgebouwd.

De conclusie is dat onder IFRS vrijwel dezelfde balansverplichtingen opgenomen moeten worden bij blijven in het publieke bestel als bij uitstappen. Op dit gebied is de keuze tussen UWV dan wel eigen risicodragen dus gelijkwaardig. Bij verslaglegging volgens de RJ 271 moet er bij uitstappen wel en bij publiek blijven geen balansvoorziening worden gevormd. Het is overigens niet onwaarschijnlijk dat deze richtlijn in de komende periode wordt aangepast.

Wanneer een organisatie besluit na uittreding uit het publieke bestel het volledige uitkeringsrisico bij een private verzekeraar onder te brengen, is een balansvoorziening niet meer aan de orde. Naast de mogelijke ‘cash’ besparing en de afvlakking van het risico is dit een derde voordeel van verzekerd eigen risicodragerschap.


INLOOPRISICO
Als een organisatie uittreedt, is ze verantwoordelijk voor de WGA-uitkeringen van iedereen die vanaf 1 januari 2004 ziek is geworden, het zogeheten inlooprisico. Dit is geen mythe, maar een feit: ingegane WGA-uitkeringen en WGA-uitkeringen voor werknemers die voor de uitstapdatum ziek geworden waren, komen direct voor rekening van de werkgever.

Het is daarom bij de bepaling van de profijtelijkheid van uittreden van groot belang om goed te kijken naar dit inlooprisico en de best mogelijke inschatting te maken van de bijbehorende uitkeringslasten. En natuurlijk waar mogelijk de schadelast te verkleinen, bijvoorbeeld door een gerichte aanpak per (langdurig) verzuimdossier.

Dit inlooprisico is de achtergrond van de aantrekkelijke aanbiedingen van verzekeraars voor kleinere bedrijven, die alleen gelden als men geen zieken heeft die langer dan 13 weken ziek zijn. Dit laatste gaat niet op voor grote bedrijven, omdat grote bedrijven over het algemeen vrijwel altijd werknemers hebben die langer dan 13 weken ziek zijn. Ook bij verzekeraars speelt de beschouwing van die zieken dus een belangrijke rol: met een opslag op de premie of een afkoopsom kan het inlooprisico in de meeste gevallen worden gefinancierd.

Niet te ontkennen valt dat het gaat om een complex vraagstuk waarbij besluitvorming over meerdere disciplines aan de orde is. Bovendien is hier recentelijk een onzekere factor aan toegevoegd, namelijk de vraag per welke datum de privatisering van de WGA een feit is. In de onderlinge samenhang van de vragen wordt pas duidelijk of uittreding uit het publieke bestel voor het bedrijf of de organisatie een goede en aantrekkelijke stap is, rekening houdend met de verschillende mogelijke privatiseringsmomenten, maar ook met de organisatorische aspecten van het eigen risicodragerschap.

Het potentiële financiële voordeel (dat kan worden berekend) en de verslagleggingsaspecten (fluctuaties in de verlies- en winstrekening en op de balans) moeten worden afgewogen tegen de tienjarige verantwoordelijkheid die de werkgever heeft voor de re-integratie en enkele andere operationele aandachtspunten. Met zo’n integrale benadering blijft het vraagstuk complex en vraagt het de inbreng van verschillende disciplines in de organisatie, maar het wordt wel afgewogen benaderd, waardoor een gefundeerde besluitvorming mogelijk wordt. Per slot van rekening wordt alleen met de juiste keuze veel geld bespaard.


DRS. LEO BIL is Principal Health & Benefits, BAS GORTWORST is Senior Consultant Health & Benefits Mercer Human Resource Consulting. Beide auteurs spelen binnen Mercer momenteel een voortrekkersrol bij WIA- en WGA-eigen risicodragerschapsvraagstukken.