In het publieke debat rondom buitenlandse directe investeringen worden de potentieel negatieve aspecten hiervan vaak benadrukt. Dergelijke investeringen hebben echter ook mogelijk positieve effecten op de lokale economie in de vorm van kennisdiffusie. Het debat behoeft daarom enige nuancering.

Wanneer een buitenlands bedrijf een directe investering in de lokale economie doet – een fusie, overname of greenfield investering – staat de politiek al snel op haar achterpoten. Strategische binnenlandse belangen komen in gevaar, de nieuwe speler vormt een monopolistische bedreiging of arbeidsplekken komen op de helling te staan.

De discussie rondom de overname van Essent door RWE is een treffend voorbeeld: de partijen die zich tegen deze overname verzetten, beroepen zich vrijwel uitsluitend op de onwenselijkheid van het uit handen geven van de binnenlandse energievoorziening. Nog afgezien van de (on)deugdelijkheid van dit argument is het opmerkelijk dat de andere kant van het verhaal zo slecht gehoord wordt. Dit wekt de onterechte indruk dat buitenlandse directe investeringen slechts kommer en kwel veroorzaken.


Kennisdiffusie

Wetenschappelijk onderzoek houdt zich al geruime tijd bezig met de vraag of buitenlandse directe investeringen gepaard gaan met kennisdiffusie van de buitenlandse investeerder naar lokale (binnenlandse) ondernemingen. Onderzoek wijst uit dat multinationals beduidend innovatiever en kennisintensiever opereren dan bedrijven die enkel lokaal actief zijn, zodat er veel potentie is voor kennisdiffusie. In dit verband worden er meestal drie manieren genoemd waarop kennis zich kan verspreiden:

• Via contacten met leveranciers en afnemers;
• Via het opleiden van personeel dat later weer in dienst treedt bij een binnenlandse onderneming;
• Via het kopiëren van producten of het imiteren van processen en best practices door lokale ondernemingen.

Indien buitenlandse directe investeringen deze effecten inderdaad teweeg brengen, vormen deze een duidelijk tegenwicht voor de veel gehoorde negatieve consequenties. Dit zou betekenen dat de discussie rondom fusies, overnames en greenfield investeringen veel genuanceerder gevoerd zou moeten worden, maar ook dat de houding van politici en beleidsmakers wellicht zou moeten veranderen.

Kortom, de hamvraag is: leiden buitenlandse directe investeringen tot kennisdiffusie? Zoals hierboven reeds aangegeven, is deze vraag vaak gesteld in wetenschappelijk onderzoek. De geijkte methode om het bestaan van kennisdiffusie te onderzoeken, is door productiviteitsverbeteringen van lokale bedrijven te relateren aan de aanwezigheid van buitenlandse dochterondernemingen, daarbij controlerend voor andere factoren die productiviteit beïnvloeden.

Helaas zijn de empirische resultaten gemengd. Tegenover elke studie die bewijs vindt voor het bestaan van kennisdiffusie van multinationals, staat meestal tenminste één andere studie die dergelijk bewijs niet vindt. Op basis hiervan zou dan ook de onbevredigende conclusie moeten volgen dat we het simpelweg niet weten. Recente ontwikkelingen leggen echter een fundamenteel probleem bloot in veel van het bestaande onderzoek op dit gebied: de impliciete veronderstelling in veel studies is dat multinationals homogeen zijn.

Dat wil zeggen, er wordt veelal voorbijgegaan aan het feit dat er tussen ondernemingen verschillen bestaan in bijvoorbeeld de eigendomsstructuur (samenwerken met een lokale partner versus volledig eigendom over de dochteronderneming), de marktoriëntatie (opereren op de lokale markt versus opereren op derde markten), of het investeringsmotief (het veroveren van een markt versus het opdoen van lokale kennis). Als deze verschillen van belang zijn voor de mate van kennisdiffusie, is het van belang om ze te onderkennen in empirisch wetenschappelijk onderzoek.


Eigendomsstructuur

Recent onderzoek laat zien dat verschillen in eigendomsstructuur van groot belang zijn voor het al dan niet optreden van kennisdiffusie. Wanneer een multinational samenwerkt met een lokale partner in het buitenland zal ze minder snel geneigd zijn om haar gevoelige bedrijfsspecifieke kennis naar het buitenland over te brengen dan wanneer ze honderd procent controle heeft.

Dit omdat in het eerste geval het risico op oneigenlijk gebruik van die kennis (door de partner) groter is. Dit zou impliceren dat het potentieel voor kennisdiffusie groter is wanneer het moederbedrijf haar dochter volledig in eigen handen heeft. Van de andere kant is het voor een multinational die samenwerkt met een lokale partner makkelijker om het bestaande lokale netwerk van leveranciers en afnemers van de partner aan te spreken, terwijl het voor een dochteronderneming die volledig in handen is van de moeder makkelijker is om het globale netwerk van de multinational te gebruiken.

Dit wekt de suggestie dat lokale kennisdiffusie juist sneller plaatsvindt wanneer de multinational samenwerkt met een lokale partner. Het empirisch bewijs ondersteunt in feite beide verwachtingen. Zo blijkt dat kennisdiffusie naar concurrenten groter is naarmate het eigendomsaandeel van de moeder in haar dochter toeneemt. Van de andere kant is kennisdiffusie naar lokale leveranciers en afnemers groter wanneer er samengewerkt wordt met een lokale partner.

Dit verband komt voort uit onderzoek naar bedrijven in een grote groep landen, maar hieruit blijkt ook dat het van belang is dat het gastland een voldoende sterk systeem heeft van bescherming van de intellectuele eigendom. Dit blijkt een noodzakelijke voorwaarde te zijn waaronder multinationals hun kennis überhaupt in het buitenland inzetten.


Marktoriëntatie

Een ander belangrijk verschil tussen de dochterondernemingen van multinationals is of ze voornamelijk op de lokale markt van het gastland actief zijn of ook een groot deel van hun activiteiten richten op derde markten. In dit laatste geval valt bijvoorbeeld te denken aan de dochters van Amerikaanse multinationals, die gedurende lange tijd vanuit Ierland het Europese vasteland bedienden.

Recent onderzoek naar de activiteiten van Amerikaanse multinationals laat zien dat er inderdaad consequenties voor kennisdiffusie zijn van dergelijke verschillen in marktstrategie. Specifiek blijkt dat lokale bedrijven het meest gebaat zijn bij de exportactiviteiten van Amerikaanse dochterondernemingen. Dit geldt echter niet voor exportactiviteiten terug naar Amerika: deze leveren juist het minste voordeel op voor de lokale economie.

Activiteiten gericht op de lokale markt nemen hier een middenpositie in. De verklaring van deze resultaten ligt in de mate van kennis die voor de verschillende activiteiten wordt ingezet. De exportactiviteiten terug naar het moederbedrijf betreffen vooral activiteiten die gemotiveerd zijn door een kostenbesparend element: meestal wordt er intensief gebruik gemaakt van de aanwezigheid van een relatief goedkope productiefactor of een natuurlijke hulpbron.

Het betreft dan ook activiteiten die niet sterk kennisintensief zijn en weinig gebruik maken van lokale netwerken, zodat de potentie voor kennisdiffusie erg laag is. De activiteiten voor de lokale markt daarentegen zijn veel kennisintensiever, omdat er succesvol geconcurreerd moet worden met binnenlandse ondernemingen voor de lokale markt.

Tegelijkertijd bestaat er ook meer contact met lokale leveranciers en afnemers, waardoor kennisdiffusie nog eens extra bevorderd wordt. Het resultaat dat de exportactiviteiten naar derde landen het grootste voordeel voor de lokale economie opleveren is in eerste instantie enigszins bevreemdend. Verdere studie wijst echter uit dat dit effect beperkt is tot landen binnen de EU.

Amerikaanse multinationals concentreren sommige van hun activiteiten in één van de EU-lidstaten, om van daaruit de andere lidstaten te bedienen via exporten, op die manier profiterend van de interne markt. Door de intensiteit van de activiteiten die dit met zich meebrengt en de nog sterkere afhankelijkheid van het lokale netwerk in de betreffende EU-lidstaat, leidt dit tot de grootste mate van kennisdiffusie.


Investeringsmotief

Naast het bedienen van buitenlandse markten wordt een steeds belangrijker motief voor buitenlandse directe investeringen het aanboren en absorberen van lokaal aanwezige (specialistische) kennis in het buitenland. Zodoende dient zich de vraag aan of een dergelijk verschil in investeringsmotief – kennisexploitatie versus kennisexploratie – van invloed is op de mate van kennisdiffusie. Onderzoek naar Amerikaanse multinationals laat zien dat dit inderdaad zo is.

Dochterondernemingen met een kennisexploratie motief leiden tot meer kennisdiffusie dan dochters met een kennisexploitatie motief. De reden hiervoor ligt besloten in samenwerking. Om lokale kennis aan te boren zijn dochters genoodzaakt om samen te werken met lokale ondernemingen. Niet alleen bevordert dit het contact tussen de dochter en de lokale economie, het bevordert ook de kennisverspreiding van de dochter naar lokale bedrijven. Dit laatste is het geval omdat kennisuitwisseling in deze context veelal een tweerichtingsproces is, dat in belangrijke mate gebaseerd is op reciprociteit.


Conclusie

Recent onderzoek laat zien dat er positieve effecten van buitenlandse directe investeringen verwacht mogen worden in termen van kennisdiffusie naar lokale ondernemingen. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat niet elk type dochteronderneming dezelfde mate van kennisdiffusie teweeg brengt, maar dat verschillen in onder andere eigendomsstructuur, marktoriëntatie en investeringsmotief hierbij van belang zijn.

Desalniettemin impliceert het dat het publieke en politieke debat over buitenlandse fusies, overnames of greenfield investeringen er goed aan zou doen in de toekomst meer oog te hebben voor deze positieve aspecten. Dit vereist wel een visie en een daarmee gepaard gaand beleid van de lange adem. Het optreden van kennisdiffusie vergt immers tijd, terwijl negatieve concurrentieprikkels of werkgelegenheidseffecten vaak op kortere termijn gevoeld worden.

Om het debat te nuanceren zullen politici en beleidsmakers in de toekomst dan ook meer moeten gaan vertrouwen op economische analyses van de lange termijn en minder op onderbuikgevoelens van de korte termijn.


Dr. Roger Smeets is wetenschappelijk medewerker Centraal Planbureau en postdoc Rijksuniversiteit Groningen.