De inflatie in Nederland is afgelopen maand opgelopen.

Goederen en diensten waren in de maand mei gemiddeld 2,1 procent duurder dan een jaar eerder, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Opnieuw lagen gestegen brandstofkosten aan de basis van de prijsstijgingen, maar ook de prijsontwikkeling van voedingsmiddelen had een stuwend effect.

Motorbrandstoffen stegen op jaarbasis 19,8 procent in prijs. Voor een liter benzine moest gemiddeld 1,773 euro worden betaald. Dat was een jaar eerder nog 1,482 euro. Verder werd ook elektriciteit duurder, vooral als gevolg van oplopende leveringstarieven.

Andere zaken werden juist goedkoper zoals voedsel waar in doorsnee 1,5 procent minder voor hoefde te worden betaald. In april lagen de prijzen van voeding nog 2,2 procent lager, waarmee ook dit een opwaarts effect had op de inflatie. Dan ging het volgens het CBS vooral om de prijsontwikkeling van aardappelen en vers of gekoeld fruit.

Het CBS geeft overigens al een jaar aan dat de inflatie deels geschat moet worden. Sommige diensten, zoals vliegreizen en maaltijden in restaurants, zijn niet of maar beperkt beschikbaar. Daardoor is het lastig om de invloed daarvan op de inflatie te meten. Ook hebben consumenten hun uitgavenpatroon door de crisis en de bijbehorende beperkingen veranderd. Ook dat heeft zijn weerslag op de inflatie.

Volgens de Europees geharmoniseerde meetmethode lag de inflatie in Nederland op 2 procent. In april was dat nog 1,7 procent. De inflatie in de eurozone steeg van 1,6 naar 2 procent. In de Europese meetmethode wordt geen rekening gehouden met de kosten van wonen in de eigen woning.