"IAS 19 kan leiden tot sturing van solvabiliteit en resultaat AEX fondsen"

De huidige IAS 19-regels bieden dermate veel ruimte om de disconteringsvoet vast te stellen dat zij kunnen leiden tot grote verschillen in het eigen vermogen en het resultaat van ondernemingen. De disconteringsvoet wordt door bedrijven gehanteerd om de toegezegde pensioenverplichtingen in de jaarrekening te waarderen.


De vrijheid die bedrijven hebben bij het vaststellen van de hoogte van de disconteringsvoet stelt hen in staat het eigen vermogen en het resultaat aanzienlijk te beïnvloeden. De door actuarissen eind 2012 geadviseerde disconteringsvoeten liepen voor een looptijd van 10 jaar uiteen van 2,2% tot 2,4%. Voor een looptijd van 25 jaar zelfs van 3,2% tot 4,4%.

Uit onderzoek van KPMG onder de bedrijven die eind 2012 aan de Amsterdamse AEX genoteerd waren blijkt dat van de fondsen die informatie verstrekken over de gevoeligheid van de pensioenverplichting voor de wijziging van de disconteringsvoet een ruime meerderheid een disconteringsvoet hanteert die zich bevindt op of aan de bovenkant van de range die eind 2012 door actuarissen geadviseerd werd.

“Dit kan bij deze ondernemingen wijzen op een trend om het effect van toegezegde pensioenverplichtingen op de jaarrekening te beperken”, constateert Coen Arnold van KPMG. Arnold: “Een lage disconteringsvoet leidt immers tot hogere pensioenverplichtingen en pensioenlasten en een lager eigen vermogen en resultaat.”

Effect laagste disconteringsvoet
In het onderzoek heeft KPMG ook gekeken naar het effect van het gebruik van de laagste door actuarissen geadviseerde disconteringsvoet. Zo leidt het hanteren van de laagste disconteringsvoet bij bedrijven die inzicht geven in de gevolgen van veranderingen in de disconteringsvoet tot een toename van de pensioenverplichting van 25 miljard euro.

Voor alle AEX-fondsen gezamenlijk betekent dit een geschatte toename van z’n 35 miljard euro, hetgeen een verlaging van het eigen vermogen met zich meebrengt van gemiddeld zo’n 16%. Het effect op de pensioenlasten wordt geschat op een toename van gemiddeld 30%. Een eventueel belastingeffect is hierbij buiten beschouwing gelaten.

Arnold: “Ter vergelijking. De verlaging van het eigen vermogen als gevolg van in 2012 in het resultaat verwerkte impairments op goodwill, een onderwerp waar traditioneel meer aandacht naar uit lijkt te gaan dan naar de waardering van pensioenverplichtingen, bedroeg bij deze ondernemingen ongeveer 7 miljard euro.”

Nieuwe IAS 19 vereist aanvullende informatie
Duidelijk is dat gebruikers van jaarrekeningen zich volgens Arnold moeten realiseren dat de solvabiliteit en het resultaat sterk afhangt van de gehanteerde disconteringsvoet. Arnold: “In dat kader is het positief dat de nieuwe IAS 19 (van toepassing vanaf boekjaar 2013) informatie vereist over de gevoeligheid van de pensioenverplichting voor wijzigingen in de disconteringsvoet.

Om echter recht te doen aan de International Financial Reporting Standards (IFRS), die tot doel hebben om de informatie van ondernemingen op gelijke grondslagen te kunnen vergelijken, is het noodzakelijk dat de IAS 19 bepalingen inzake de vaststelling van de disconteringsvoet op korte termijn nader worden verduidelijkt, bijvoorbeeld door de IFRS Interpretatie Committee (IFRS IC).

Het is dan ook teleurstellend te constateren dat de IFRS IC verduidelijking van de regels in dit verband op de langere baan heeft geschoven.”