De prijs van olie, goud, steenkolen en andere grondstoffen stijgt. Waardoor?

Sommige commentatoren zien de zwakke Amerikaanse dollar als belangrijke oorzaak van de stijging van grondstoffenprijzen. Hun redenatie is betrekkelijk simpel.

De enorme expansie van kredieten zorgt voor een overvloed aan dollars en daardoor komt de koopkracht van de eens zo machtige Amerikaanse munt aardig onder druk. Een andere verklaring wordt gezocht in de onstuimige groei van de Aziatische economieën.

De Chinese economie groeit, als wij de cijfers mogen geloven, 10 procent per jaar. Ook India mag rekenen op mooie groeicijfers. Gezien de omvang van de bevolking in die landen komt zelfs een bescheiden procentuele groei neer op een forse absolute groei.

Met name de fysieke component is voor grondstoffen van belang. Het is niet zo eenvoudig om zomaar tonnen meer goud uit de mijnen tevoorschijn te toveren als de vraag naar goud in India een klein beetje stijgt. Dat geldt ook voor ruwe olie en alle andere grondstoffen.

Door kredietverlening ontstaat koopkracht, maar dat is alleen zinrijk als er daadwerkelijk goederen gekocht kunnen worden. Voor veel grondstoffen geldt dat een hogere prijs alleen niet voldoende is om voor meer aanbod te zorgen. Technologische ontwikkelingen zijn van groot belang en die kosten tijd.

De eenvoudige productiemethoden zijn voor de meeste grondstoffen al lang en breed aangewend. Het Afrikaanse goud komt uit steeds dieper liggende lagen en de daarvoor benodigde technologie wordt complex en duur. In oude oliebronnen bevinden zich nog aanzienlijke restanten olie, maar om de laatste resten eruit te persen zijn andere en kostbare methoden nodig.


LEIBAND
Grondstoffen hebben waarde, omdat consumenten behoefte hebben aan de producten die met behulp van die grondstoffen worden vervaardigd. Dit belangrijke inzicht hebben we te danken aan de economist David Ricardo. Tijdens de napoleontische oorlogen was de prijs van het graan sterk gestegen.

De Engelse bevolking schoof de schuld voor die hoge prijs op de landeigenaren, die kennelijk te veel pacht vroegen. Ricardo wees erop dat de hoge pacht te danken was aan de hoge graanprijs. De door ons gewenste automobielen hebben geen prijs omdat voor het vervaardigen daarvan ijzererts nodig is, maar ijzererts heeft een prijs omdat wij auto’s willen hebben.

Die auto’s kunnen we ons niet alleen veroorloven omdat we nu over geld beschikken, maar vooral ook omdat we verwachten in de toekomst over geld te beschikken. Op grond van die verwachting kunnen we lenen en dat wordt aantrekkelijker indien de rente niet al te hoog is. Veel politici zijn van mening dat de rente niet te hoog mag worden.

Het optimisme van de bevolking wordt gesteund door lage rente en het gevoel dat inkomens en waarden, vooral van vastgoed, stijgen. Een verkiezingsstrijd voeren in een opgaande economie is prettig. Het is duidelijk dat voor het behoud van de koopkracht van ons geld een te lage rente bepaald niet bevorderlijk is. Daarom is het belangrijk dat centrale banken niet aan de leiband van politici lopen.

Monetair beleid kan wel degelijk invloed uitoefenen op de reële economie. Meer geld laten ontstaan is niet zo moeilijk, maar daarmee hebben we nog niet zomaar de beschikking over meer goederen, en alleen dat laatste telt. Dat verklaart waarom veel beleggers vandaag kiezen voor tastbare grondstoffen.


Jan Vis is directeur bij Talanton Corporate Finance BV te Puttershoek en als adjunct-professor Business Valuation en Value Based Management verbonden aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit. Deze column geeft de persoonlijke mening van de auteur weer