De curator in het faillissement van ASE bv had in eerste aanleg onvoldoende kunnen bewijzen dat de bestuurders van de failliete onderneming niet hadden voldaan aan de boekhoudplicht. Volgens art. 2:10 BW is het bestuur verplicht van de vermogenstoestand van de rechtspersoon op zodanige wijze een administratie te voeren, dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de rechtspersoon kunnen worden gekend.

In hoger beroep bij het Hof ’s-Hertogenbosch speelt dat de curator wel een boekhouding heeft aangetroffen, maar dat hij van mening is dat deze niet aan de voorwaarden van art. 2:10 BW voldoet. Het Hof oordeelt dat de curator zijn stelling voldoende dient te onderbouwen en zo nodig dient te bewijzen, maar dat daarbij van belang is dat het voor de curator vaak moeilijk zal zijn te onderbouwen wat precies aan de boekhouding ontbreekt.

Aan de onderbouwing door de curator kunnen daarom niet al te hoge eisen worden gesteld. Het Hof gelast een deskundigenonderzoek, waarbij het de deskundige de vraag voorlegt of de boekhouding van ASE bv zodanig was dat de rechten en plichten daaruit konden worden gekend.

Bron: Tijdschrift Financieel Management: Legal Update ism BANNING Advocaten