"Beursgenoteerde ondernemingen bestaan over 50 jaar niet meer"

Over 50 jaar bestaan er geen beursgenoteerde ondernemingen meer. Dat was de prikkelende stellingname van prof. Kees Cools (Rijksuniversiteit Groningen) tijdens het op 5 november gehouden symposium.

Het symposium stond in het teken van het bereiken van beter werkende kapitaalmarkten. Cools stelde dat evolutionair gezien de mens zich 2 miljoen jaar lang heeft georganiseerd in groepen van 80 tot 120 mensen. In een groep van deze grootte kent iedereen elkaar bij naam, is er cohesie en ontstaat er vertrouwen. De ontwikkeling sinds de industriële revolutie naar steeds grotere bedrijven past niet bij deze evolutionair bepaalde behoeften van de mens en leidt volgens Cools tot vervreemding.

Sinds het einde van de vorige eeuw worden grote, bureaucratische en hiërarchische bedrijven relatief minder effectief en neemt de slagkracht van kleinere bedrijven snel toe. De belangrijkste oorzaken zijn de sterk gestegen opleidings- en ontwikkelingsniveaus van werknemers waardoor zij in staat zijn zichzelf te organiseren. Tegelijkertijd zijn mensen door de enorm toegenomen mogelijkheden van ICT niet langer fysiek gebonden aan (industriële) productieprocessen, maar kunnen zij ‘op afstand’ hun diensten aanbieden.

Bovendien kunnen kleine ondernemingen nieuwe producten en innovaties sneller introduceren. Deze kleinere ondernemingen zullen de effectenbeurs niet of nauwelijks nodig hebben om kapitaal aan te trekken, waardoor de beurs overbodig wordt. Daarbij komt, volgens Cools, dat het governancemodel van beursgenoteerde ondernemingen inherent zwak is, met een raad van commissarissen die onvoldoende tijd heeft, weinig van de organisatie weet en werkt met ‘gekleurde’ informatie, afkomstig van de raad van bestuur. Deze zwakke governance, afgezet tegen het governancemodel van een familiebedrijf, private equity en coöperatie, zal ook maken dat het concept ‘beursvennootschap’ niet zal overleven.

Tijdens de latere paneldiscussie, waaraan Peter Paul de Vries (bestuursvoorzitter Value8), Cees Vermaas (bestuursvoorzitter NYSE Euronext Amsterdam) en Alex van der Velden (CIO Ownership Capital) deelnamen, bleek dat niet iedereen van het aanwezige publiek het met de visie van Kees Cools eens was. Een kleine meerderheid ervaart het geringe aantal beursintroducties van de afgelopen tijd als bedreiging voor een efficiënte allocatie van kapitaal over de verschillende investeringsmogelijkheden in de economie. Er zijn evenwel ook lichtpunten op de kapitaalmarkt. Cees Vermaas wees erop dat via de uitgifte van obligaties en vervolgemissies van aandelen bestaande ondernemingen de laatste jaren regelmatig kapitaal via de openbare markt ophalen.

Dat werd ook gereflecteerd door de speech van Peter van Rossum, CFO van SBM Offshore. Hij liet zien dat ‘zijn’ beursgenoteerde onderneming kon overleven bij de gratie van een goed werkende openbare en private kapitaalmarkt. SBM Offshore kwam de afgelopen jaren in de problemen door, zoals Van Rossum het noemde, “technologische avonturen”. De onderneming ging op zoek en vond uiteindelijk een kernaandeelhouder, namelijk HAL Investments, die geloof had in de nieuwe strategie van SBM Offshore. Die strategie is alleen nog gericht is op de bouw en lease van FPSO’s: omgebouwde olietankers die als drijvend productieplatform dienen. HAL nam een 13,5%-aandelenbelang in SBM Offshore en garandeerde een claimemissie. Daarnaast heeft SBM Offshore een succesvolle private placement van $ 500 miljoen in de Verenigde Staten gedaan (USPP). De private placement zag op de financiering van  een FPSO. Via de USPP kon een project met een looptijd van 20 jaar worden gefinancierd; de banken willen alleen nog projecten met een looptijd van maximaal 10 jaar financieren.

Van Rossum uitte kritiek op de internationale financiële verslaggevingsstandaarden IFRS. Deze zouden voor een onderneming als SBM Offshore geen goed beeld schetsen van de daadwerkelijke financiële situatie. Van Rossum ziet zich genoodzaakt om beleggers naast ‘IFRS-cijfers’ ook een eigen, conservatievere, visie op de berekening van winst en eigen vermogen te geven. Hierin wordt de winst op het bouwen van het platform niet bij de oplevering van het platform (IFRS), maar jaarlijks bij het ontvangen van de huur gerealiseerd. Volgens Van Rossum moet SBM Offshore er daardoor in de praktijk twee boekhoudingen op na houden.

Steven Maijoor, voorzitter van de Europese kapitaalmarktentoezichthouder ESMA, pleitte voor het selectief toestaan van ‘IFRS for Small and Medium Sized Entitites’ in de Europese Unie. IFRS is voor met name de kleinste beursgenoteerde ondernemingen dermate kostbaar, dat dit stelsel van verslaggevingsstandaarden voor dit type ondernemingen niet meer proportioneel is aan het doel: betere en inzichtelijkere financiële verslaggeving. Hij zou er voorstander van zijn om de kleinere beursgenoteerde ondernemingen vrij te stellen van de verplichte toepassing van ‘full’ IFRS. Naast proportionaliteit van de gestelde regels is het voor een goed werkende kapitaalmarkt  volgens Maijoor van belang dat er voor beleggers meer transparantie over de markt zelf komt en dat beleggers adequaat worden beschermd. ESMA wil daarom paal en perk stellen aan zogenoemde dark pools en wil de transparantie rond obligaties en derivaten vergroten.

Bob Rädecker, Chief Investment Officer Public Markets van PGGM, ging nader in op de rol van banken en institutionele beleggers voor de financiering van de Nederlandse economie. Hij ziet een toenemende buffervorming bij banken om aan Bazel III te voldoen en qua kapitaaltoereikendheid “het beste jongetje van de klas te worden”. Hij gelooft vooral in een partnership tussen overheid, banken en institutionele beleggers om meer te investeren in de nationale economie, zoals de oprichting van het Nationale Investeringsinstituut en het Nationale Hypotheek Instituut.