De belastingaangifte: Wat te doen bij twijfel?

Onder welke omstandigheden hoeven belastende elementen niet in de aangifte te worden vermeld?

Door Mr. V.C. (Victor) Langenburg

Inleiding
Bij het doen van belastingaangifte kun je in onzekerheid verkeren over verschillende onderwerpen. Sommige mensen hebben bijvoorbeeld in het buitenland een woning waar ze het grootste gedeelte van het jaar verblijven. In zo’n geval kan zowel met Nederland als het land waar de tweede woning is gelegen een sterke persoonlijke en economische band bestaan. Woon je dan in Nederland en moet je dan wel aangifte doen als binnenlands belastingplichtige? En moet je eigenlijk het vinkje ‘ja’ aankruisen bij een vraag in de aangifte over betrokkenheid bij een trustvermogen, als deze trust is ingesteld door je stiefvader en je daaruit wel eens iets ontvangt? Zomaar twee voorbeelden van situaties waarin iemand erover kan twijfelen of, en op welke manier, informatie aan de Belastingdienst zou moeten worden verstrekt.

Tot zover de twijfelaars. Sommige mensen twijfelen niet maar weifelen. Zij stellen zich bij de openbaring van hun inkomsten namelijk bloot aan strafrechtelijke vervolging. In die situatie kan de belastingplichtige zich afvragen of hij die inkomsten wel in zijn aangifte moet vermelden. Hij hoeft immers vanuit strafrechtelijk perspectief niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. In dit blog zal worden ingegaan op zowel de twijfelaars als de weifelaars.

Informatieverschaffing aan de Belastingdienst
Om de verschuldigde heffing vast te kunnen stellen, moet de Belastingdienst beschikken over bepaalde gegevens van de belastingplichtige. De aangifte is zo ingericht dat de Belastingdienst die gegevens krijgt. De inspecteur is bij het opleggen van de aanslag niet gebonden aan de verstrekte gegevens maar kan daarvan afwijken. Anderzijds ben je niet vrij om de vragen van het aangiftebiljet te beantwoorden al naar gelang het jou uitkomt. Wettelijk uitgangspunt is dat de aangifte duidelijk, stellig en zonder voorbehoud wordt gedaan.

Het onjuist of onvolledig doen van aangifte kan dan ook bestuursrechtelijke (boete) of strafrechtelijke (gevangenisstraf, boete) consequenties hebben. Het is dus van groot belang om de vragen in het aangiftebiljet naar waarheid te beantwoorden c.q. een vinkje te zetten als daar aanleiding voor is. Maar de fiscaliteit is niet eenvoudig en over sommige zaken kan verschillend worden gedacht. Twijfel over het al dan niet moeten aangeven en de manier waarop dat moet gebeuren kan soms zeer begrijpelijk zijn. Hieronder zal ik toelichten hoe dit probleem op te lossen is.

Opties voor belastingplichtigen die twijfelen
Wanneer je als belastingplichtige twijfelt of en hoe iets moet worden aangegeven, dan zijn er in essentie twee mogelijkheden om je positie te ‘verstevigen’ c.q. de twijfels weg te nemen. Volledige zekerheid wordt verkregen door in vooroverleg te treden met de Belastingdienst. Dit overleg kan leiden tot een standpuntbepaling van de Belastingdienst of tot een vaststellingsovereenkomst waarin staat beschreven hoe het recht in een specifiek geval wordt toegepast.

Elke belastingplichtige, zowel werknemer, (kleine) ondernemer als internationaal opererend bedrijf, kan om een dergelijk vooroverleg verzoeken. In de inleiding stond het voorbeeld genoemd van iemand die twijfelt over het doen van aangifte als binnenlands belastingplichtige. In zo’n geval is het handig om te verzoeken om een vooroverleg met de Belastingdienst. Het is immers buitengewoon vervelend om (meestal enkele jaren later) te worden geconfronteerd met een zogeheten woonplaatsonderzoek en daaruit voortvloeiende navorderingsaanslagen.

Zekerheid vooraf is dus de meest veilige optie. Het kiezen voor die optie is niet een teken van zwakte, maar kan een praktische en nuttige aanpak van een risicovolle situatie zijn. Wel beveel ik aan om bij een dergelijk vooroverleg een advocaat of adviseur in te schakelen. De Belastingdienst is namelijk geneigd om het heffingsrecht naar zich toe trekken en een fiscale woonplaats in Nederland aan te nemen. Een advocaat of adviseur die bij het vooroverleg aanwezig is kan de Belastingdienst in die neiging beteugelen, door uw situatie zo gunstig mogelijk te presenteren en weerwoord te geven op argumenten van de Belastingdienst.

Een tweede optie is dat tegelijk met het indienen van de aangifte een brief naar de Belastingdienst wordt gestuurd, waarin wordt uitgelegd waarom in de aangifte voor een bepaalde weg is gekozen. Laatstgenoemde optie is transparant en mocht de inspecteur uiteindelijk toch afwijken van de ingediende aangifte, dan kan de ‘begeleidende brief’ – waarin de afwegingen en argumenten staan genoemd die tot een bepaalde keuze hebben geleid – de schade van een eventuele fout beperken. De brief, mits goed geadresseerd, stelt de inspecteur in staat van zijn afwijkingsbevoegdheid gebruik te maken. Doet hij dat naar aanleiding van het in de brief gestelde, dan kan hij niet beboeten, omdat opzet en grove schuld ontbreken.

Achter de keuze voor één van deze twee opties kunnen strategische overwegingen ten grondslag liggen. Zie hiervoor het blog van Ludwijn Jaeger van 1 mei 2020.

Mogelijkheden voor weifelaars
Zoals vermeld in de inleiding hebben sommige mensen niet zozeer twijfels of ze bepaalde baten moeten aangeven, maar maken ze zich door aangeven kwetsbaar voor strafrechtelijke vervolging. Ze willen dus iets verbergen voor de Belastingdienst. Inkomsten uit hennepkwekerij, wapenhandel of andere strafbare activiteiten zijn voorbeelden hiervan. Dit is niet bepaald informatie die mensen snel zullen delen met de Belastingdienst. En bovendien, een belangrijk beginsel binnen het Nederlandse strafrecht is toch dat niemand gehouden is tegen zichzelf bewijs te leveren of mee te werken aan zijn eigen veroordeling?

De betrokkenen zien dit als een rechtvaardiging om de Belastingdienst niet te informeren over voornoemde activiteiten en de inkomsten die daarmee zijn behaald. Hoe zit dit nu precies?

Nakoming van de fiscale aangifte- of inlichtingenplicht kan inderdaad een overtreding van de wet door de aangever blootleggen. Maar de opzettelijke niet-nakoming van de inlichtingenplicht wordt bedreigd met een bestuurlijke boete of strafvervolging. Dat is een dilemma. Uit de rechtspraak volgt dat het recht om jezelf niet in strafrechtelijke zin te belasten de fiscale inlichtingenplicht niet aantast. Als vragen van de inspecteur van belang kunnen zijn voor de belastingheffing van degene aan wie ze worden gesteld, moeten die vragen worden beantwoord. Ook als die antwoorden bij de betreffende belastingplichtige tot een bestuursrechtelijke boete zouden kunnen leiden of hem in strafrechtelijke problemen zouden kunnen brengen.

Het zwijgrecht en het recht om jezelf niet te belasten zijn beperkt tot ‘verklaringen omtrent de overtreding’. Het gaat dan om vragen die ertoe strekken gegevens te verkrijgen om een boete op te kunnen leggen, de mate van verwijtbaarheid van het gedrag te bepalen (grove schuld of opzet) of met de verstrekte informatie een strafrechtelijke vervolging aan te vangen. Als de gevraagde informatie (mede) een heffingsbelang vertegenwoordigt, dan heft het zwijgrecht de plicht om vragen daarover te beantwoorden niet op.

Inkomsten uit criminele of strafbare activiteiten zijn gewoon belast. Het niet aangeven van criminele inkomsten, met een beroep op het beginsel dat niemand gehouden is om mee te werken aan zijn eigen veroordeling, zal dus falen. Mochten strafbare activiteiten uiteindelijk aan het licht komen, en zou blijken dat daarmee inkomsten zijn behaald, dan zal de Belastingdienst als eerste op de stoep staan om hier alsnog belasting over te heffen.

Conclusie
Twijfel over de manier waarop een aangifte moet worden ingediend is soms zeer begrijpelijk. Om deze twijfel weg te nemen zijn er twee opties beschikbaar, (1) het vooroverleg (om volledige zekerheid te verkrijgen) of (2) het meesturen van een begeleidende brief waarin het eigen standpunt wordt toegelicht (om de schade van een eventuele fout te beperken). Het recht om jezelf niet te belasten heeft in het geval van criminele inkomsten alleen betrekking op ‘verklaringen omtrent de overtreding’. De fiscale inlichtingenplicht wordt hierdoor niet aangetast, zolang de gevraagde inlichtingen maar een heffingsbelang vertegenwoordigen.

Mr. Victor Langenburg is advocaat-belastingdeskundige Jaeger Advocaten-belastingkundigen, een advocatenkantoor gespecialiseerd in procedures over belastingzaken