Banken remmen groei Nederlandse bedrijfsleven

Het Nederlandse MKB ontvangt bijna 65 procent minder vaak een banklening dan het Europese gemiddelde, en het verschil blijft groeien.

Een kwart van het Europese MKB ontving in de periode 2017-2018 een banklening, maar slechts negen procent van het Nederlandse MKB, meldt het vandaag verschenen rapport hierover van het Centraal Planbureau (CPB). Ook het aantal aanvragen loopt ver achter, 15% van het Nederlandse MKB klopte in die periode aan bij een bank, ten opzichte van het Europese gemiddelde van 30%. Bovendien maakt het Nederlandse MKB minder kans om de aanvraag volledig toegekend te krijgen: 60 tegenover 74%. "Het valt op dat van alle eurozonelanden alleen Nederlandse mkb’ers significant minder vaak een banklening hebben aangevraagd in de afgelopen periode, terwijl de Nederlandse toekenningspercentages meer lijken op die in Zuid-Europese lidstaten dan op die van onze buren," zegt het CPB. "Dit beeld blijft overeind, of er nu wordt vergeleken met de eurozone, met de gehele Europese Unie of met alleen relatief vergelijkbare landen in Europa."

Volgens het CPB is het lage aantal aanvragen te verklaren doordat veel MKB'ers voldoende eigen middelen zeggen te hebben. Maar ook de verwachting toch afgewezen te worden weerhoudt bedrijven ervan een lening aan te vragen. Toch verwacht bijna 70 procent van het Nederlandse MKB de komende tijd te investeren. "Nederlandse banken wijzen relatief vaak leenaanvragen af, maar dat resulteert niet in de meest gezonde leenportefeuilles van de eurozone," zegt het CPB. "Nederlandse banken hebben eind 2018 2,2% probleemleningen op de balans, wat flink minder is dan in Griekenland, Portugal en Italië. Maar Duitsland, Finland, Estland en Luxemburg laten nog minder probleemleningen zien, terwijl de acceptatiekansen voor bankleningen in die landen hoger liggen dan in Nederland."

Bankmacht

Het CPB stelt dat de marktmacht van de Nederlandse banken een rol kan spelen bij de lage acceptatiekans. In Nederland zijn de vijf grootste banken namelijk goed voor meer dan 80% van de totale bankactiva. In Duitsland is dat maar rond de 30%. Bovendien had de Nederlandse MKB'er in 2017 gemiddeld met 1,5 bank een zakelijke relatie, het laagste aantal in het eurogebied. Wellicht is die machtige positie de oorzaak van de hogere rentes die het Nederlandse bedrijfsleven moet betalen.  Marktrentes voor langlopende leningen zijn hier namelijk hoger dan in de ons omringende landen, terwijl banken in al deze eurolanden tegen dezelfde voorwaarden bij de ECB kunnen lenen. In Nederland was de rente de afgelopen jaren bijvoorbeeld een half tot één procent hoger dan in Duitsland.

Verder ziet het CPB signalen dat Nederlandse banken voorrang geven aan hypothecaire leningen. En ook daar wijkt Nederland af van de Europese norm. Nederlandse banken ervaren om een aantal redenen een relatief sterke bescherming bij terugbetalingsproblemen: zo draagt de fiscus een deel van de lasten en zijn de looptijden van hypothecaire leningen relatief lang en de kosten om betalingen te innen laag.  

Toch blijven bankleningen de belangrijkste bron van externe MKB financiering. Nederlandse banken lopen daarbij structureel achter op hun Europese collega's. Het CPB waarschuwt daarom: "Dit kan wellicht nadelige gevolgen hebben voor de economische groei."



(bron: CPB)