Hoge Raad: voorlopige betalingsverlichting niet op fiscale balans

Telt fiscaal pas mee bij een juridisch afdwingbare verplichting.
De Hoge Raad heeft op 13 maart geoordeeld dat een voorwaardelijke betalingsverplichting niet op de fiscale balans mag worden gepassiveerd. Ook oprentingslasten en valutaresultaten blijven buiten aanmerking, zolang de verplichting niet onvoorwaardelijk is.

Deze uitspraak is naar aanleiding van een vennootschap die voor de jaren 2015 en 2016 aanslagen vpb opgelegd krijgt. De zaak draait om een fusieovereenkomst waarbij de vennootschap de betalingsverplichting op zich neemt voor aandelen die haar kleindochtermaatschappij zal verkrijgen.

Die verplichting is afhankelijk van opschortende voorwaarden en wordt pas later definitief onder bepaalde voorwaarden. De vennootschap wil deze verplichting al eerder op de fiscale balans opnemen en daarbij jaarlijks oprentingslasten en valutaresultaten verwerken. De inspecteur weigert dit. Dit leidde tot rechtszaken, waarna beroep werd aangetekend.

De Hoge Raad oordeelt dat een betalingsverplichting fiscaal pas meetelt zodra sprake is van een juridisch afdwingbare verplichting. Bij een opschortende voorwaarde ontstaat die afdwingbaarheid pas na vervulling van de voorwaarde. Zolang dat niet het geval is, kan geen schuld op de balans worden opgenomen. Dat betekent dat de vennootschap de verplichting voor de jaren 2015 en 2016 niet mag passiveren.

Volgens de Hoge Raad kan de verplichting ook niet als voorziening worden opgenomen. Een voorziening is alleen mogelijk voor toekomstige uitgaven die hun oorsprong vinden in het verleden én aftrekbaar zijn. De toekomstige betaling kwalificeert hier echter als een informele kapitaalstorting en verhoogt de kostprijs van de deelneming.

Daardoor ontbreekt een aftrekbare last. Om die reden mogen ook de oprentingslasten en ongerealiseerde valutaresultaten niet in aanmerking worden genomen.

Gerelateerde artikelen