Zonder werkzaamheden in Nederland bestaat ook geen heffingsrecht voor Nederland

Een in het buitenland woonachtige werknemer die in dienst is bij een in Nederland gevestigde werkgever, is onder omstandigheden niet in Nederland belastingplichtig voor de inkomstenbelasting.

Dat is het geval als de betrokken werknemer zijn dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland vervult en zijn loon in een ander land is onderworpen aan een belasting naar het inkomen en niet in feite slechts in Nederland.

Op grond van deze regels was een in België woonachtig bemanningslid van onder Nederlandse vlag varende cruiseschepen in 2006 niet belastingplichtig in Nederland. Het was niet aannemelijk geworden dat de man, die de Belgische nationaliteit had, in 2006 een Nederlandse haven had aangedaan. Wel was de man premieplichtig voor de volksverzekeringen. Rechtbank Breda kwam tot dit oordeel in een kernachtige uitspraak.


Wereldbelasting

De Wet op de inkomstenbelasting maakt onderscheid tussen binnenlandse en buitenlandse belastingplichtigen. Binnenlandse belastingplichtigen worden hier belast voor hun wereldinkomen. In dit inkomen is ook inkomen begrepen dat afkomstig is uit andere landen.

Veelal kan een belastingplichtige een beroep doen op een regeling ter voorkoming van dubbele belasting als zowel Nederland als het andere land dezelfde inkomensbestanddelen in de belastingheffing betrekt. Voor dit doel heeft Nederland met een groot aantal landen belastingverdragen afgesloten. Voor inkomsten uit niet-verdragslanden bestaat in voorkomende gevallen recht op een voorkoming op grond van het Besluit ter voorkoming van dubbele belasting.

Buitenlandse belastingplichtigen hebben hun woonplaats buiten Nederland en zijn in Nederland alleen belastingplichtig voor zover zij uit Nederlandse inkomensbronnen inkomsten genieten. Het andere land zal in dat geval een tegemoetkoming ter voorkoming van dubbele belasting verlenen als het heffingsrecht over die inkomensbestanddelen volgens het belastingverdrag aan Nederland is toegewezen.
 
Voordat wordt toegekomen aan de vraag over de verdeling van het heffingsrecht van verdragslanden over inkomsten uit grensoverschrijdende arbeid komt eerst nog een fundamentele voorvraag aan de orde: is een verdragsland volgens de eigen belastingwetgeving wel heffingsbevoegd?

####
Illustratief
Illustratief voor bovenstaande voorvraag is een uitspraak van Rechtbank Breda over een in België woonachtig bemanningslid van onder Nederlandse vlag varende cruiseschepen. De man had de Belgische nationaliteit en was in 2006 als zeevarende werkzaam op cruiseschepen die buiten Nederland opereerden.

De inspecteur had de man als buitenlandse belastingplichtige aangemerkt en hem voor het jaar 2006 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. De man was van mening dat hij in Nederland geen inkomstenbelasting verschuldigd was. De man bestreed niet dat hij in Nederland voor de volksverzekeringen verzekerd en premieplichtig was.
 
De rechtbank onderzocht eerst de voorvraag bij de vraag over de verdeling van de heffingsbevoegdheid van Nederland en België over de inkomsten van de man. De rechtbank stelde vast dat de Wet inkomstenbelasting bepaalt dat een in het buitenland woonachtige werknemer die in dienst is bij een in Nederland gevestigde werkgever, onder omstandigheden niet in Nederland belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting.

Dat is het geval als de betrokken werknemer zijn dienstbetrekking nagenoeg geheel buiten Nederland vervult en zijn loon in een ander land is onderworpen aan een belasting naar het inkomen en niet in feite slechts in Nederland (bijvoorbeeld op grond van een belastingverdrag).
 
De verdeling van de bewijslast en de mogelijkheid om daaraan te voldoen, was beslissend voor de uitkomst van de onderhavige procedure. De man had onweersproken gesteld dat hij werkzaam was op cruiseschepen die buiten Nederland opereerden.

De inspecteur was van mening dat het loon van de man toch in de Nederlandse inkomstenbelasting mocht worden betrokken. Hij moest daarom van de rechtbank aannemelijk maken dat de man een deel van zijn werkzaamheden in 2006 in Nederland had verricht. De inspecteur kwam niet verder dan het uitspreken van zijn vermoeden dat de man waarschijnlijk in Nederland zou zijn op het moment van vertrek en aankomst van een cruiseschip.

Dat vond de rechtbank volstrekt onvoldoende om daaraan de conclusie te verbinden dat de man een deel van zijn werkzaamheden in Nederland zou hebben verricht. Het was namelijk niet komen vast te staan dat de schepen waarop de man in 2006 had gewerkt, dat jaar een Nederlandse haven hadden aangedaan.
 
De rechtbank was van oordeel dat de inspecteur niet in zijn bewijslast was geslaagd. Hiermee was het pleit voor deze procedure beslecht. Alle overige stellingen die de man en de inspecteur in de procedure hadden aangevoerd, behoefden geen behandeling meer. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en verminderde de opgelegde aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen tot nihil.


Bron: Rechtbank Breda, 19-8-2009, nr. 08/5040 / PricewaterhouseCoopers