Als een moedermaatschappij haar deelneming financiert met een vordering, kan ze deze vordering afwaarderen als het slecht gaat met haar dochtermaatschappij. Deze afwaardering leidt dan tot een aftrekbaar verlies bij de moedermaatschappij.

Verbetert de situatie van de dochter, dan wordt de vordering opgewaardeerd en telt de waardestijging ten gunste van de winst. Door de vordering echter na afwaardering om te zetten in aandelenkapitaal of te vervreemden in het concern, zou de moeder zonder nadere wettelijke regels een eventuele waardestijging onder de deelnemingsvrijstelling onbelast kunnen genieten.

Artikel 13b in de Wet op de vennootschapsbelasting gaat deze situatie tegen. Het artikel bepaalt dat – onder voorwaarden – de moedermaatschappij alsnog een winst neemt ter grootte van de eerdere afwaardering van de vordering. Onlangs deed het Hof Arnhem uitspraak in een zaak waarin de centrale vraag was of er sprake was van zo’n afwaardering van een vordering.

Het ging hier om een regresvordering die de moedermaatschappij op haar deelneming had, nadat zij borg had gestaan voor haar deelneming. Deze vordering was gewaardeerd op de waarde in het economisch verkeer, die aanzienlijk lager was dan de nominale waarde.

Het hof vond dat een regresvordering die bij haar ontstaan géén of slechts een zeer lage waarde heeft , niet voorkomt dat op een ondeelbaar moment na haar ontstaan in fi scaalrechtelijke zin een afwaardering heeft plaatsgevonden. In overeenstemming met de ratio en de tekst van artikel 13b is volgens het hof sprake van een afwaardering.

 

Bron: Tijdschrift Financieel Management: Tax Update ism Deloitte