Wijzigen pensioenregeling: u heeft nog 9 maanden

Nog maar weinig bedrijven zijn bezig met het herzien van de eigen pensioenregeling. En dit terwijl uiterlijk per 1 januari 2014 zo'n 95% van alle pensioenregelingen moeten zijn aangepast. Pensioenexpert Jeroen Tuijp beantwoordt 4 prangende vragen.

Per 1 januari 2014 gaat er op het gebied van pensioenen een aantal belangrijke fiscale wijzigingen plaatsvinden. Deze wijzigingen leiden er toe dat zo'n 95% van alle bestaande pensioenregelingen voor die tijd moeten worden aangepast. De tijd om dit nog te realiseren lijkt lang, maar blijkt in de praktijk kort dag.

Omdat pensioen een arbeidsvoorwaarde is, zullen de wijzigingen de goedkeuring moeten hebben van de werknemers, vaak via vakbonden of ondernemingsraad. Dit vraagt een zorgvuldige aanpak met periodieke overleggen tussen partijen. Het advies is dan ook om dit traject snel te starten om op tijd klaar te zijn. Gebeurt dat niet, dan lopen werkgevers het risico van een fiscaal bovenmatige pensioenregeling met alle gevolgen van dien.


1. Wat gaat er precies veranderen?
Per 1 januari 2014 is een pensioenregeling alleen nog fiscaal gefacilieerd als deze voldoet aan de nieuwe kaders. Hoofdlijn van dit nieuwe kader is dat de pensioenrichtleeftijd 67 jaar wordt, en dat er nog maar maximaal 2,15% per jaar aan pensioen kan worden opgebouwd van de pensioengrondslag (bij eindloon: 1,90%).

Het huidige fiscale kader is nog gemaximeerd op 2,25% jaarlijkse opbouw bij een pensioenleeftijd van 65 jaar. Het blijven hanteren van een lagere pensioenleeftijd dan 67 jaar blijft toegestaan, maar dan zal ook het opbouwpercentage omlaag moeten. Bij pensioenleeftijd 65 is het nieuwe fiscale opbouwpercentage nog maar maximaal 1,84% per jaar.

2. Hoe weet ik of mijn huidige regeling aangepast moet worden?
Indien de huidige pensioenregeling een pensioenleeftijd heeft van 65 jaar (meestal het geval) en het opbouwpercentage is hoger dan 1,84%, dan zal de regeling over het algemeen aangepast moeten worden. Het kan zijn dat door het hanteren van een hoge franchise de regeling met een hoger opbouwpercentage nog net binnen de grenzen valt, maar dat zal van geval tot geval moeten worden bekeken.

3. Kent de regeling een opbouwpercentage lager dan 1,84%?
Dan hoeft er in principe niets veranderd te worden, behalve dat u dan wel nog steeds een regeling heeft met pensioenleeftijd 65. Omdat ook de AOW-leeftijd omhoog gaat, is het in zo'n geval toch verstandig om nader te onderzoeken of de regeling toch niet gemoderniseerd kan worden. Er kan bijvoorbeeld gekozen worden om pensioenleeftijd 67 te hanteren, maar dan met een iets hogere opbouw. Dit kan kostenneutraal worden vormgegeven.

4. Kent de regeling een opbouwpercentage hoger dan 1,84%?
Dan moet naar alle waarschijnlijkheid de regeling worden aangepast aan het nieuwe fiscale kader. Er zijn diverse praktische mogelijkheden om dat op een voor alle partijen realistische en uitlegbare manier te doen.

Stel dat de huidige pensioenregeling een opbouw kent van 2,15% per jaar, een pensioenleeftijd van 65 jaar en een eigen bijdrage van de werknemer van 6%. Door de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar, dalen de te betalen pensioenpremies in totaal grosso modo met zo'n 8% a 10%. Het opbouwpercentage hoeft niet te worden aangepast (kan wel), dat past immers binnen de nieuwe fiscale kaders. Om het nadelige effect van het verhogen van de pensioenleeftijd voor de werknemers te verzachten, kan een (deel van) het vrijkomende budget besteedt worden aan een verlaging van de eigen bijdrage voor de werknemers waardoor zij er netto op vooruit gaan per maand in hun salaris. Op die manier  probeer je tot een praktische en werkbare oplossing te komen die voor alle betrokken partijen evenwichtig is.

Dit is slechts een voorbeeld van hoe je het zou kunnen doen. Uiteraard is elke situatie weer anders, en zijn er verschillende wegen die naar Rome leiden. Hoe het ook zij, het advies blijft: ga op tijd in gesprek en denk niet te lichtzinnig over een wijziging van de pensioenregeling.

drs. Jeroen Tuijp AAG
Partner bij Edmond Halley BV