Who's afraid of IFRS? Tijd voor een tussenstand en een vooruitblik

De kwartaalresultaten onder IFRS zijn gepubliceerd en er heerst een oorverdovende stilte. Geen onrust, geen onverklaarbare koersbewegingen, geen heftige bijstellingen van ratings. De financiële meltdown die sommigen vreesden, is uitgebleven. "The proof of the pudding is in the eating", moet er door menig CFO en controller zijn gedacht bij de overgang op IFRS en de concrete toepassing ervan.

Gegeten wordt er nu en door velen moet er een zucht van verlichting zijn geslaakt bij het afronden van het kwartaalbericht op basis van IFRS. Uiteraard weten we allemaal dat we er nog niet zijn. Nu het eerste volledige jaar achter de rug is en er een mooi boekwerkje over 2005 ligt waarin niet alleen de IFRS-cijfers 2005 zitten, maar ook de reconciliatie vanuit Nederlandse verslaggevingsregels, is de klus geklaard. Maar het is wel al mogelijk een tussenstand op te maken en vooruit te blikken.

Zachte landing

Wanneer we kijken naar de informatie die door Nederlandse beursfondsen wordt gepubliceerd over de gevolgen van IFRS, valt een aantal zaken op. Allereerst blijken de meest voor de hand liggende verschillen tussen Nederlandse verslaggevingsregels en IFRS, namelijk financiële instrumenten, pensioenen, fusies en overnames en personeelsopties, inderdaad de grootste impact te hebben. Toch slagen de meeste ondernemingen erin een ‘soft landing’ tot stand te brengen door binnen de keuzemogelijkheden die IFRS biedt en binnen de keuzemogelijkheden ten aanzien van de overgang op IFRS zodanig te beslissen dat de invloed op eigen vermogen en resultaat beperkt is, dan wel pas in 2005 zichtbaar werd.

Zo kozen alle AEX-fondsen die hierover informatie hebben verstrekt ervoor om fusies en overnames uit het verleden niet aan te passen aan IFRS. Dit betekent onder andere dat de in het verleden betaalde goodwill die rechtstreeks ten laste van het eigen vermogen is geboekt, niet alsnog op de balans wordt geactiveerd. Zo’n 60 procent van de AEX-fondsen die hieromtrent informatie verstrekken, maakte gebruik van de vrijstelling om IFRS niet toe te passen op oude personeelsoptieregelingen. Ook koos 71 procent van de AEX-fondsen voor het niet aanpassen van de vergelijkende cijfers voor de verwerking van financiële instrumenten. Al deze vrijstellingen bij de overgang op IFRS maken dat de financiële impact van de overgang op IFRS een geflatteerd beeld geeft. We zullen de invloed pas in volle omvang gaan zien nadat IFRS al enige tijd is toegepast.

Enkele voorbeelden

Bij een overname kan onder Nederlandse verslaggevingsregels en betaalde goodwill rechtstreeks in mindering worden gebracht op het eigen vermogen. Dit wordt in het IFRS-wetsvoorstel nog eens nadrukkelijk bevestigd, in tegenstelling tot eerdere voornemens om deze methode niet meer toe te laten. Onder IFRS is het niet alleen zo dat goodwill moet worden geactiveerd en dat daarop niet kan worden afgeschreven (maar jaarlijks een impairmenttest moet worden gedaan), maar tevens dat de koopprijs bij een overname meer dan onder de huidige Nederlandse praktijk moet worden gealloceerd aan andere immateriële zaken dan goodwill, zoals merknaam, databases, licenties, patenten, cliëntenbestanden, contracten, enzovoorts. Voor alle duidelijkheid zij er hier op gewezen dat de activering van intern gegenereerde immateriële zaken niet veel zal afwijken van Nederlandse verslaggevingsgrondslagen. De invloed van de wijzigingen zien we nog maar nauwelijks terug, omdat vrijwel alle ondernemingen oude fusies en overnames niet aanpassen aan IFRS en omdat we wat overnames betreft op dit moment in een cyclisch dal zitten.

Grootste effect

Het grootste effect zien we dus eigenlijk uitsluitend in het wegvallen van de jaarlijkse afschrijving op goodwill bij die ondernemingen, die onder Nederlandse verslaggevingsregels goodwill wel hadden geactiveerd en erop afschreven. Het positieve effect op het resultaat onder IFRS bij de ondernemingen die deze informatie geven is 2,5 miljard euro. IFRS staat toe dat de vergelijkende cijfers niet worden aangepast voor de verwerking van financiële instrumenten. IFRS eist, in tegenstelling tot Nederlandse verslaggevingsregels, dat alle derivaten tegen reële waarde in de balans worden opgenomen en waardemutaties in de winst- en verliesrekening worden verwerkt, tenzij hedge accounting wordt toegepast.

Deze vrijstelling is door vele ‘corporates’, maar ook door menige financiële instelling gebruikt. De invloed van deze wijzigingen, die voor sommige ondernemingen groot is, zien we dus pas sinds 2005 in volle omvang. Bij de overgang op IFRS in 2005 behoeven de kosten van personeelsoptie- of aandelenregelingen die zijn toegekend vóór november 2002 dan wel reeds voor 1 januari 2005 onvoorwaardelijk (‘vested’) zijn geworden, niet in de winst- en verliesrekening te worden opgenomen. Ook hier geldt dus: ‘You ain’t seen nothing yet.’

Verder heeft de IASB besloten bij afwezigheid van een standaard voor de waardering van verzekeringscontracten verzekeringsmaatschappijen toe te staan hun bestaande waarderingsgrondslagen voort te zetten, totdat over enkele jaren een nieuwe IFRS over de waardering van verzekeringscontracten klaar is. Van enige standaardisatie is dus op korte termijn nauwelijks sprake. Ten slotte blijkt dat alle AEX-fondsen die daaromtrent informatie verschaffen en als grondslag onder IFRS kiezen voor het amortiseren van actuariële winsten en verliezen, gebruikmaken van de mogelijkheden om nog niet in het resultaat verwerkte actuariële winsten en verliezen op pensioenverplichtingen direct in het openings eigen vermogen onder IFRS te boeken.

Dampt

Heeft de overgang op IFRS aan financiële effecten opgeleverd? Nog niet alle AEX-fondsen hebben daar in kwantitatieve zin inzicht in gegeven. Vijf fondsen hebben nog helemaal geen kwantificering gegeven, terwijl drie anderen dit slechts gedeeltelijk doen. De plaats waar informatie over de impact van IFRS kan worden gevonden, verschilt eveneens. Bijna de helft (12) heeft informatie opgenomen in de jaarrekening 2004, een vergelijkbaar aantal (11) doet dit in een afzonderlijke publicatie en de overige twee in het eerste halfjaarbericht 2004, respectievelijk het eerste kwartaalbericht 2005.

Moving Target

Een opvallende conclusie is dat er nog onzekerheid heerst omtrent de vraag wat de eisen zijn die voor de jaarrekening 2005 gelden, terwijl 2005 al is afgelopen. Niet alleen werkt de IASB nog aan een aantal standaarden en interpretaties die in de jaarrekening 2005 nog mochten worden toegepast, daarnaast geldt voor een aantal standaarden en interpretaties dat deze nog niet zijn goedgekeurd door de Europese Commissie. Een voorbeeld daarvan is een serie aanpassingen van IAS 39 ‘Financial Instruments: Recognition and Measurement’ die gedeeltelijk is goedgekeurd door de IASB, maar voor een ander deel nog moet worden goedgekeurd, terwijl voor allemaal geldt dat deze nog niet door de Europese Commissie zijn goedgekeurd.

Een ander voorbeeld is een interpretatie van de verwerking van emissierechten die door de IASB is goedgekeurd, maar waarvooreen negatief advies ligt bij de Europese Commissie, zodat de kans groot is dat deze niet van toepassing wordt verklaard in de EU. Hoewel het in veel gevallen gaat om standaarden en interpretaties die in 2005 nog niet verplicht waren, leidt het toch tot onzekerheid, omdat vele wijzigingen nu juist zijn doorgevoerd om problemen bij de toepassing van IFRS te voorkomen en ondernemingen deze wijzigingen dus begrijpelijkerwijs al in 2005 vervroegd willen toepassen. Daarvoor is echter in veel gevallen goedkeuring van de Europese Commissie vereist.

Door een aantal Nederlandse ondernemingen wordt gewezen op deze onzekerheid in de jaarrekening 2004 en het eerste kwartaalbericht 2005 en is er feitelijk voor gekozen in het eerste kwartaalbericht de grondslagen onder IFRS toe te passen zoals de onderneming deze verwacht toe te zullen passen in de jaarrekening 2005, daarmee nadrukkelijk het voorlopige karakter van de cijfers onderstrepend. Voorbeelden zien we bij ABN AMRO, die in het eerste kwartaalbericht 2005 refereert aan de onzekerheden rond IAS 39 financiële instrumenten, en bij Heijmans, die verwijst naar de onzekerheden rond de interpretatie van IFRS waar het betreft de winstverantwoording op woningbouwprojecten.

Numico refereert aan het nog niet goedgekeurd zijn door de Europese Commissie van de aanpassingen van de regels voor pensioenverplichtingen, maar gaat ervan uit dat het dit in 2005 kan toepassen en geeft ook op deze basis informatie. Al met al blijkt dat de invloed van IFRS zich pas in volle omvang laat analyseren, nadat we IFRS enkele jaren toepassen, waardoor de effecten van de vrijstellingen bij overgang wegebben. Het is dus eigenlijk te vroeg om nu al conclusies te trekken. De lezer dient zich voorts te realiseren dat de vergelijkbaarheid van de jaarrekeningen over 2005 lastig is vanwege de vele keuzen binnen IFRS en de verschillende keuzen ten aanzien van de wijze van overgang op IFRS, en ten slotte door het feit dat de vergelijkende cijfers niet behoeven te worden aangepast voor alle standaarden, waardoor analyse van de verschillen tussen 2004 en 2005 zelfs voor één onderneming niet altijd gemakkelijk is.

Steeds complexer

Dit alles leidt ertoe dat het verklaren en toelichten van de IFRS-cijfers 2005 door de onderneming van groter belang is dan ooit. De gemaakte keuzen en de consequenties daarvan zullen uitgelegd moeten worden om de lezer bij de hand te nemen. Na enige tijd zal een gewenningsproces optreden en wordt het mogelijk meerjarige IFRS-cijfers naast elkaar te zetten. Bedacht dient tevens te worden dat een groot aantal meer fundamentele wijzigingen in IFRS op de rol staan voor de eerstkomende jaren. Voorbeelden daarvan zijn de wijzigingen in de verantwoording van fusies en overnames en consolidatie, omzet, leasing en joint ventures.

De IASB is duidelijk van plan zeer consistent vasthoudend aan een aantal uitgangspunten de afweging tussen relevantie en betrouwbaarheid steeds meer bij relevantie te leggen. Een illustratie daarvan vormen de inzichten van de IASB ten aanzien van omzetverantwoording. Men wil vanuit een pure balansbenadering de verantwoording van omzet regelen. Dit betekent onder meer dat een onderneming per balansdatum moet nagaan wat de reële waarde is van de activiteiten die ze nog moet verrichten om een bepaalde dienst te leveren, dit moet vergelijken met de ontvangen betalingen daarvoor en het saldo op de balans moet opnemen. Kortom, het gaat niet meer om een ‘percentage of completion’, maar om een model voor reële waarde.

Ook heeft de IASB aangegeven te willen kiezen voor de ‘full goodwill’-benadering. Deze houdt in dat, wanneer een onderneming niet voor 100 procent wordt overgenomen, niet alleen de betaalde goodwill op de balans moet worden opgenomen, maar de volledige (100 procent) goodwill, dus inclusief het deel dat hoort bij de minderheidsaandeelhouders. Dit zijn slechts enkele illustraties van de plannen van de IASB. Wij zullen er dus als opstellers, gebruikers en controleurs van jaarrekeningen aan moeten wennen dat er elk jaar nog wel wijzigingen zijn in de spelregels.

Is deze complexiteit en permanente aanpassing nodig? Men zou cynisch kunnen zijn en stellen dat elke generatie een eigen financiële verslaggeving verdient. De realiteit is echter dat onze maatschappij en het bedrijfsleven complexer worden en zich steeds sneller ontwikkelen. Dan kan het niet verbazen als ook de financiële communicatie tussen de onderneming en de omgeving aan ontwikkelingen onderhevig is en steeds complexer wordt. Kortom, buckle up, sit back and relax voor de IASB-ride.

 

Prof.dr. Leo G. van der Tas RA is partner vaktechniek bij Ernst & Young Accountants, hoogleraar externe berichtgeving aan de Faculteit Bedrijfskunde van de Erasmus Universiteit Rotterdam en lid van het International Financial Reporting Interpretations Committee van de IASB