Olie, metalen, voedsel, vrijwel alle grondstoffen zijn de afgelopen tijd in prijs geëxplodeerd. Maar vreemd genoeg vallen de prijsstijgingen welbeschouwd mee.

Eigenlijk had de consumenteninflatie al lang in de dubbele cijfers moeten zitten. Die van de industrie zijn daar in elk geval al aangeland. De Nederlandse producentenprijsindex steeg in het eerste kwartaal met ongeveer 10 procent op jaarbasis.

Maar zelfs dat inflatietempo is nog mild vergeleken bij de vele tientallen procenten van de grondstoffen. Er zijn verschillende redenen waarom de inflatie beperkt blijft. Allereerst zijn er natuurlijk meer inputs in het productieproces dan materiaalstoffen.

Arbeids- en kapitaalkosten verdunnen de invloed van de dure grondstoffen. Dat werkt echter alleen als werknemers en banken niet anticiperen op de effecten van de hoge grondstofprijzen en er dus van afzien de verwachte inflatie op voorhand te verdisconteren in looneisen en nominale rentes. Ze moeten, met andere woorden, het vertrouwen hebben dat de dure grondstoffen de inflatie niet enorm zullen opdrijven.

Het is een selffulfilling prophecy. Alleen na een lange periode van lage inflatie – zoals Europa de afgelopen jaren kende – zullen de arbeiders en geldschieters dat vertrouwen hebben en de noodzakelijke zelfbeheersing kunnen opbrengen.


PIJNLIJK
Geen wonder dat de Europese Centrale Bank zo bang is voor verder oplopende inflatie. Jarenlang hebben de bankiers geïnvesteerd in de gematigde inflatieverwachtingen van Europese burgers en bedrijven. Als ze de zaak nu uit de hand laten lopen – zoals politici en analisten die aandringen op renteverlaging in feite vragen – zijn ze die investering kwijt.

Een nieuwe periode van streng en pijnlijk monetair beleid is dan nodig om het vertrouwen in de koopkracht van de euro weer op te bouwen. Een andere reden voor de beperkte invloed van de dure grondstoffen op consumentenprijzen is te vinden bij de bedrijven zelf. Al in de jaren dertig van de vorige eeuw stelde de vermaarde econoom John Maynard Keynes vast dat prijzen zich veel trager aanpassen aan veranderende omstandigheden dan de theorie voorspelt.

Economen na hem hebben geprobeerd de redenen daarvoor te achterhalen. Het succesvolst was de Amerikaanse econoom Alan Blinder. In de jaren negentig stelde hij vast dat de meeste bedrijven de prijzen inderdaad maar weinig aanpassen. Ruim 10 procent doet dat zelfs minder dan eens per jaar; 40 procent voert eens per jaar wijzigingen door. Slechts één op de vijf past de prijzen vier keer of vaker aan.

Waarom zijn bedrijven zo terughoudend? Economen dachten altijd dat dit te maken had met zaken als langlopende contracten waarin een vaste prijs was vastgelegd, en ‘menukosten’ (de kosten van het drukken van nieuwe menu’s en andere prijslijsten). Uit het onderzoek van Blinder bleek echter dat de redenen veel minder concreet zijn.

Producenten veranderen hun prijzen niet, omdat ze niet de eerste willen zijn. Ze wachten op concurrenten. Maar die wachten ook, dus de zaak komt maar moeilijk in beweging. Daarnaast zeggen aanbieders bij kostenstijgingen eerst te gaan bezuinigen op bijvoorbeeld service, kwaliteit en leveringssnelheid, voordat een prijsstijging ter sprake komt.

Bovendien weerhoudt een gevoel van ‘eerlijkheid’ veel ondernemers ervan hun prijzen te verhogen. Het prijspeil uit het recente verleden geldt blijkbaar als een soort impliciet contract met de klant. Plotseling afwijken is een soort contractbreuk.

Hoe bindend dat ongeschreven contract is, zal de komende maanden blijken. Bij een olieprijs van meer dan 100 dollar zal het gevoel van eerlijkheid bij veel bedrijven toch plaats moeten maken voor realiteitszin. De Europese consument gaat nog heel wat voelen.


MATHIJS BOUMAN is financieel-economisch journalist.