Vrijstellingsmethode bij voorkoming dubbele belasting bestuurdersbeloningen slechts toegestaan bij daadwerkelijke heffing

De Hoge Raad heeft in een procedure waarin sprongcassatie was ingesteld, geoordeeld over de toepasselijkheid van de zogenoemde vrijstellingsmethode bij bestuurdersbeloningen. De procedure betrof een in Nederland woonachtige bestuurder die op grond van een 'salary split' ook werkzaamheden verrichtte als bestuurder van een in de Verenigde Staten gevestigde concernvennootschap.

Tot de beloning behoorde de verwerving van een aandelenpakket voor een aanzienlijk lagere prijs dan de marktwaarde. In de VS was over dit deel van de beloning geen belasting betaald. De centrale vraag in de procedure was of de bestuurder voor dit bestanddeel recht had op voorkoming van dubbele belasting via verrekening van de buitenlandse belasting (‘verrekeningsmethode’) of via de -gunstiger- vrijstelling met progressievoorbehoud (‘vrijstellingsmethode’). Eerder berichtten wij al over de uitspraak van de rechtbank en de conclusie van Advocaat-Generaal Niessen in deze zaak.
 
Verdrag versus goedkeurend besluit
Op grond van het belastingverdrag tussen de VS en Nederland zou de bestuurder recht hebben op voorkoming van dubbele belasting in Nederland volgens de verrekeningsmethode. Dit is in het Nederlandse verdragsbeleid de gebruikelijke wijze van voorkoming van dubbele belasting bij bestuurdersbeloningen. De staatssecretaris van
Financiën heeft echter in een besluit aangegeven dat onder voorwaarden de Nederlandse
voorkoming van dubbele belasting voor bestuurders op verzoek via de vrijstellingsmethode mag verlopen. In dit besluit wordt goedgekeurd dat de vrijstellingsmethode kan worden toegepast:

1. in zoverre de beloning in de andere staat (de VS) in de belastingheffing is betrokken.
2. in vergelijking met werknemers in diezelfde staat geen sprake is van een bijzonder, begunstigend belastingregime voor de beloning.

De reden voor deze goedkeuring van de staatssecretaris is te voorkomen dat voor bestuurdersbeloningen een zwaardere belastingdruk ontstaat dan voor de beloning van werknemers in hetzelfde buitenland.
 
Verzoek bestuurder om vrijstellingsmethode toe te passen
De bestuurder heeft in de onderhavige procedure verzocht om het toepassen van de vrijstellingsmethode over het beloningsbestanddeel dat voortkomt uit de verwerving van het aandelenpakket tegen een prijs die lager is dan de marktprijs. In cassatie voert de bestuurder hiertoe aan dat:

1. de verwerving wel in de belastingheffing van de VS was betrokken, maar alleen niet tot heffing had geleid, omdat de marktwaarde in de VS op een andere manier werd bepaald en daarom lager uitviel, en
2. dit ook zou gelden voor een werknemer die hetzelfde aandelenpakket voor dezelfde prijs zou hebben verworven.

Aldus meent de bestuurder aan beide vereisten voor toepassing van de vrijstellingsmethode uit de goedkeuring van de staatssecretaris te voldoen.
 
Oordeel Hoge Raad
De Hoge Raad is het niet eens met de bestuurder en oordeelt dat de vrijstellingsmethode niet kan worden toegepast. Hij komt tot dit oordeel door de woorden ‘in zoverre’ in het eerste hierboven genoemde vereiste van de goedkeuring zo uit te leggen dat hieraan alleen is voldaan als beloningsbestanddelen ‘daadwerkelijk zijn begrepen in de grondslag’ waarover in de VS belasting is betaald. De Hoge Raad merkt daarbij op dat de reden voor het niet heffen over het voordeel er niet toe doet. Of dit nu komt doordat dit voordeel in de VS niet tot de heffingsgrondslag behoorde, of doordat dit aandelenpakket in de VS zodanig gewaardeerd werd dat er geen sprake was van voordeel in de ogen van de belastingautoriteiten in de VS, in beide gevallen is er geen sprake van daadwerkelijke heffing. Het beroep in cassatie van de bestuurder is dus ongegrond: de voorkoming van dubbele belasting moet in dit geval met behulp van de verrekeningsmethode worden bepaald.
 
Bron: Hoge Raad, 27-9-2013, nr. 12/02696.

PwC Belastingnieuws