Voorzichtigheid in de jaarrekening

Als één van basisgrondslagen voor de financiële verslaggeving wordt wel het voorzichtigheidsbeginsel genoemd. De gedachte hierachter is dat het goed is om bij de waardering en resultaatbepaling voorzichtigheid te betrachten: neem winsten pas op als ze zijn gerealiseerd (dit element wordt ook wel het realisatiebeginsel genoemd) en verliezen zodra ze voorzienbaar zijn.

Toch heeft het voorzichtigheidsbeginsel in de moderne financiële verslaggeving maar een beperkte plaats. In het IFRS Framework en het daaruit afgeleide Stramien van de RJ komt voorzichtigheid niet naar voren als een primair beginsel: in par. 37 wordt aangegeven dat het in acht nemen van voorzichtigheid inhoudt dat een mate van zorg moet worden ingebouwd bij het vormen van de oordelen die nodig zijn bij het maken van de noodzakelijke schattingen in situaties van onzekerheid.

Met andere woorden: voorzichtigheid speelt niet zozeer een rol bij het kiezen van grondslagen van waardering en resultaatbepaling, maar vooral bij de invulling daarvan door middel van schattingen. En dan nog moet uit worden gegaan van de best mogelijke (voorzichtige) schatting en niet van een ‘worst case scenario’.

Achtergrond hiervan is dat een jaarrekening die een te pessimistisch beeld geeft van de financiële positie en resultaten van de entiteit net zo onjuist is als een jaarrekening waarin een te optimistisch beeld wordt geschetst. Het ‘getrouwe beeld’ in de jaarrekening is vooral een neutraal beeld. Waartoe leidt dit?

Drie voorbeelden ter illustratie
Voorzieningen mogen alleen worden opgenomen voor toekomstige verplichtingen, maar niet voor toekomstige risico’s. Het is dus ook niet toegestaan om in financieel goede jaren extra voorzieningen te treffen omdat verwacht wordt dat er in de toekomst slechtere resultaten zullen worden behaald.

Het is uiteraard goed koopmansgebruik om in goede tijden een ‘appeltje voor de dorst’ te reserveren, maar dat moet gebeuren door middel van winstinhouding (reservering binnen het eigen vermogen), en niet door ten laste van het resultaat additionele voorzieningen te vormen. De goede en slechte jaren moeten als zodanig uit de winst- en verliesrekening blijken.

Voor R&D-intensieve ondernemingen geldt dat het succes van de onderzoeks- en ontwikkelingsactiviteiten pas blijkt als de ontwikkelde producten succesvol zijn in de markt. Het is daarom voorzichtig om de kosten van onderzoek en ontwikkeling direct ten laste van het resultaat te brengen. De IASB en RJ laten dat echter niet volledig toe: zodra de ontwikkeling van een nieuw product of technologie een zodanig stadium heeft bereikt dat het waarschijnlijk is dat er toekomstige voordelen uit voortkomen, dienen alle kosten vanaf dat moment te worden opgenomen onder de immateriële activa. En waarschijnlijk (‘probable’) betekent een kans van meer dan 50%.

Dit criterium van waarschijnlijkheid speelt een rol bij het opnemen van alle activa, bijvoorbeeld ook bij latente belastingvorderingen uit hoofde van voorwaartse verliescompensatie. Of deze realiseerbaar zijn, hangt af van toekomstige fiscale winsten die inherent onzeker zijn. Maar als realisatie waarschijnlijk is, is het opnemen van de latente vordering verplicht. Bij het schatten van de toekomstige fiscale winsten is het wel belangrijk om niet te optimistisch te zijn: hier speelt de voorzichtigheid dan toch nog een kleine rol.


Onder redactie van Martin Hoogendoorn en Gerard van Santen, partners bij Ernst & Young Accountants LLP