Vaststelling hoogte onderlinge vorderingen en schulden bij aangaan fiscale eenheid zeer relevant

De wettelijk voorgeschreven waarderingsregel voor de onderlinge vorderingen en schulden van maatschappijen die met elkaar een fiscale eenheid voor de vennootschapsbelasting willen aangaan, kan tot een onvoorziene vrijvalwinst leiden die onder omstandigheden niet (erg) billijk is.


Dit blijkt uit een recente uitspraak van Hof Den Haag. Volgens de waarderingsregel moet op het onmiddellijk voorafgaande tijdstip van het aangaan van een fiscale eenheid: (1) de crediteur de waarde van de schuldvordering op de debiteur stellen op de bedrijfswaarde of -als dat lager is- de nominale waarde, en (2) de debiteur de schuld op dezelfde waarde stellen als de vordering van de crediteur.

De procedure voor Hof Den Haag betrof een bv die een grote onvolwaardige schuld had aan de aanstaande moedervennootschap. Vaststond, dat de afwaardering van de vordering niet ten laste van de in Nederland belastbare winst was gekomen. De inspecteur was van mening dat de bv op grond van de waarderingsregel vóór het aangaan van de fiscale eenheid (1 januari 2005) een grote vrijvalwinst in aanmerking moest nemen en stelde de aanslag vennootschapsbelasting van de bv over 2004 (ambtshalve) vast. Rechtbank Den Haag erkende dat de waarderingsregel onder de gegeven omstandigheden tot een onbillijke uitkomst leidde, maar dat het de rechter niet vrij staat om de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen.

De bv ging in hoger beroep bij Hof Den Haag en voerde diverse verweren aan. Dat had echter per saldo geen effect. Het hof stelde de vrijvalwinst van de bv weliswaar op een lager bedrag vast dan de rechtbank, echter de inspecteur had de aanslag vennootschapsbelasting (ambtshalve) op een aanzienlijk lagere belastbare winst vastgesteld dan op het bedrag waartoe de vrijvalwinst (ook na correctie door het hof) aanleiding zou horen te geven. Het hoger beroep van de bv zou voor haar niet tot een gunstiger resultaat kunnen leiden dan de vastgestelde aanslag. Het hof verklaarde het hoger beroep van de bv daarop ongegrond.

Opmerking

Het hof merkte met betrekking tot de gestelde onbillijke werking van de waarderingsregel op dat de Wet op de vennootschapsbelasting sinds eind 2005 een aanvullende bepaling bevat die de scherpe randjes in bepaalde situaties wegneemt. Het betreft -kort gezegd- deelnemingssituaties waarbij afgewaardeerde vorderingen op de dochter (debiteur) worden vervreemd of worden omgezet in aandelenkapitaal en ook bij bepaalde situaties van afgewaardeerde hybride vorderingen. Daarbij moet de crediteur (moedermaatschappij) het eerder in aanmerking genomen afwaarderingsverlies als winst in aanmerking nemen, en blijft de vrijvalwinst bij de debiteur in zoverre achterwege. Het markante in de onderhavige procedure is dat de vordering van de moedermaatschappij niet ten laste van de in Nederland belastbare winst is afgewaardeerd. Dus ook de wetsaanpassing in 2005 zou de bv geen soelaas hebben geboden.

Bron: Hof Den Haag, 19-3-2013, nr. 11/00532 (gepubliceerd 1-8-2013).

PwC Belastingnieuws