'Uitgevers van duurzame aandelen moeten zelf eisen gaan stellen aan het predicaat 'groen'. Om te voorkomen dat toekomstige investeerders het groene aandeel de rug toekeren en ook uitgevers zelf vanwege een gebrek aan geloofwaardigheid ontmoedigd worden om dit soort aandelen op de markt te brengen, is 'eigen' regelgeving op dit moment zeer opportuun.'

Volgens Wim Bartels, partner bij KPMG Sustainability, zullen uitgevers van groene aandelen die deze stap zetten niet alleen meer geloofwaardigheid opbouwen bij investeerders, underwriters en rating agencies, zij zullen er ook in slagen om het eigen reputatierisico te verkleinen. 

Bartels: ‘Gezien het feit dat een groen aandeel een vorm van langdurige financiering is, kan het reputatierisico dat de uitgever loopt een veel langere looptijd hebben dan het aandeel zelf. Daarom is het zeer aan te raden om het risico van reputatieschade vanaf het moment van uitgifte te reduceren.’
 
Markt groeit in hoog tempo
Groene aandelen vormen volgens Bartels voor zowel publieke als private partijen een aantrekkelijk middel om geld op te halen voor projecten en andere activiteiten die ten goede komen aan de economie, de omgeving en de maatschappij. 

Bartels: ‘De wereldwijde markt groeit dan ook in hoog tempo. Zo werd vorig jaar wereldwijd voor een bedrag van 37 miljard US dollar opgehaald met gecertificeerde groene obligaties, een verdubbeling ten opzichte van 2013. Tot het jaar 2012 waren het vooral de EIB, de Wereldbank en overheden die de meeste groene aandelen uitgaven.’ 

Vandaag de dag echter zijn er steeds meer bedrijven die zich op markt begeven. ‘Zo zijn bedrijven die consumentengoederen maken, ondernemingen in de onroerend goed sector en elektriciteits- en nutsbedrijven inmiddels goed voor een derde van de markt. En de verwachting is dat dit jaar voor een totaal bedrag van 100 miljard US dollar zal worden opgehaald.’
 
Echt ‘groen’ of ‘greenwash’
Bartels constateert dat het gebrek aan standaard definities die aangeven welk aandeel groen is en welk niet, heeft geleid tot de vraag of alle green bonds daadwerkelijk ‘groen’ zijn. 

Bartels: ‘Het gevolg hiervan is dat uitgevers aanzienlijke reputatierisico’s lopen en te maken krijgen met mogelijke beschuldigingen van ‘greenwash’ wanneer de opbrengsten worden gebruikt om activiteiten te financieren waarvan aandeelhouders vinden dat ze niet ‘groen’ genoeg zijn. En ook als de kernactiviteit van een organisatie niet als duurzaam wordt ervaren, is volgens de buitenwereld al snel sprake van greenwash. Zo zetten stakeholders in het algemeen vraagtekens bij energiebedrijven die green bonds uitgeven om projecten op het gebied van hernieuwbare energie te kunnen financieren, terwijl ze ook betrokken bij het opwekken van kernenergie. En ook als onvoldoende inzicht wordt gegeven over de besteding van het kapitaal dat is opgehaald, krijgt de uitgifte al snel het predicaat ‘greenwash’. Een aantal organisaties heeft dan ook stevige kritiek gehad op het beheer van het kapitaal, bijvoorbeeld omdat het opgehaalde kapitaal waarvoor nog geen bestemming gevonden was, tijdelijk werd ondergebracht in ‘niet-groene’ fondsen.’
 
Meer consistentie noodzakelijk
Gestandaardiseerde criteria die aangeven wanneer een aandeel ‘groen’ is, zijn volgens Bartels dan ook van essentieel belang voor de toekomstige geloofwaardigheid van de markt. 

Bartels: ‘Als uitgevers van groene aandelen in toenemende mate vragen krijgen over de getrouwheid van het ‘groene’ karakter, kan dit van invloed zijn op de groei van de markt omdat zowel toekomstige investeerders als uitgevers ontmoedigd worden. Voor de markt zou het dan ook goed zijn wanneer er meer consistentie komt in de richtlijnen van bijvoorbeeld de Green Bond Principles en de Green Bonds Standard. Zolang dit nog niet het geval is zou het goed zijn wanneer de uitgifte zich beperkt tot aandelen die geen controversiële projecten financieren, die voldoende bijdragen aan de omgeving en een relatie hebben met de belangrijkste uitdagingen op het gebied van het milieu, zoals de klimaatverandering en waterschaarste.’