R&D-bedrijven maken zich zorgen over de continuïteit van het innovatiebeleid en het aanbod van talent in Nederland.

Dat blijkt uit de 3e R&D-barometer van VNO-NCW, een onderzoek onder de R&D-directeuren van de grootste Nederlandse R&D-intensieve bedrijven.

Samenwerking met gespecialiseerde mkb-bedrijven en kennisinstellingen blijft verder de belangrijkste trend op het terrein van innovatie. Dit hangt deels samen met een andere belangrijke ontwikkeling, de inzet van R&D gericht op het oplossen van belangrijke maatschappelijke vraagstukken. Die zijn veelal dermate complex dat grote bedrijven nauw samenwerken met anderen.

De belangrijkste cijfers op een rij
Wereldwijd verrichten de in de R&D-barometer onderzochte bedrijven voor ruim 17 miljard euro aan R&D, met meer dan 65.000 onderzoekers. Hiervan wordt ruim 3,2 miljard euro aan R&D in Nederland verricht met bijna 17.000 onderzoekers. Gemiddeld zit van de onderzochte bedrijven ongeveer 40 procent van de R&D in Nederland, al verschilt dit sterk per bedrijf. 

De onderzochte bedrijven nemen 72 procent van de industriële R&D in NL voor hun rekening. Dit is ruim 42 procent van de totale bedrijfs-R&D in NL. Van de 3,2 miljard euro aan R&D-uitgaven in Nederland wordt inmiddels ongeveer de helft in samenwerking met derden gedaan, zoals met start-ups, kennisinstellingen of speciale toeleveranciers. 

Verder heeft 70 procent van de grote R&D-bedrijven activiteiten met en voor start-ups, zoals via het Costa-programma van VNO-NCW. Uit het onderzoek blijkt verder dat de bulk van de onderzochte bedrijven de beslissingen over de R&D primair in Nederland neemt. Er zijn op dit moment geen aanwijzingen voor vertrek van R&D. Ook groeit de R&D in Nederland met gemiddeld 3 procent per jaar.

Zorgen bij R&D-directeuren
Ondanks de mooie resultaten zijn er wel zorgen. Zo maken de grote R&D-bedrijven zich zorgen over het aanbod van talent. “Dat begint inmiddels een serieuze bedreiging te worden”, aldus één van de respondenten. “Juist nu er geen mensen meer te krijgen zijn moet je geen studentenstops doorvoeren.” 

Ook de kwaliteit van het universitair onderzoek lijkt een punt van zorg. De Nationale Wetenschapsagenda, die een impuls moet geven aan het onderzoek mist bijvoorbeeld nog focus wat de R&D-directeuren betreft. “Ook op een onderwerp als kunstmatige intelligentie moet echt veel gerichter worden ingezet in Nederland. Dat gaat in andere landen drie keer zo snel”, aldus één van de deelnemers. Verder bepleiten de bedrijven continuïteit van het Nederlandse (innovatie)beleid en dan met name in het fiscale- en topsectorenbeleid. “Als er één constante is in het innovatiebeleid dan is het wel de constante verandering. Dat is niet bevorderlijk voor het investeringsklimaat. De vernieuwing van het topsectorenbeleid moet dan ook zorgvuldig worden vormgegeven, vertrouwen komt te voet en gaat te paard”, aldus een van de R&D-directeuren. 

Duitsland als best-practice voor de industrie
De respondenten noemen opvallend vaak Duitsland als goed voorbeeld van een land met een sterk industriebeleid. Frankrijk ontwikkelt volgens enkele respondenten een goed fiscaal beleid en de Belgen krijgen een goed oordeel voor hun op life-sciences gerichte beleid.