Rechtbank oordeelt over Crisisheffing 2013

De Rechtbank Den Haag heeft op 7 mei 2014 geoordeeld dat de crisisheffing (art. 32bd Wet LB 1964) niet in strijd is met artikel I eerste protocol bij het EVRM.


De rechtbank oordeelt dat de wetgever met de invoering van de crisisheffing binnen de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid is gebleven. Voorts oordeelt de rechtbank dat de crisisheffing in dit specifieke geval geen individuele en buitensporige last vormt voor de inhoudingsplichtige, waardoor de regeling niet in strijd is met artikel I eerste protocol bij het EVRM. Ook acht de rechtbank de crisisheffing niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel (artikel 26 IVBPR).
 
Deze uitspraak betreft een individuele procedure en niet de proefprocedure waarvoor veel werkgevers een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten met de belastingdienst. De uitspraak is op een aantal punten zeer summier gemotiveerd, voorts lijkt het er op dat de betreffende belanghebbende te weinig heeft aangedragen om te onderbouwen dat er sprake was van een "individuele en buitensporige last".
 
Dit is de eerste in een reeks van uitspraken over de crisisheffing. Voor een definitief oordeel over de crisisheffing moeten de uitkomsten van de hoogste rechter worden afgewacht.
 
Bron: Grant Thornton