Directeuren twijfelen publiekelijk aan de zelfstandige totstandkoming van het accountantsoordeel over de jaarrekening. Dit tast de essentie van de accountantsverklaring aan. Hoe deze twijfel weg te nemen?

‘Bestuurder eist meer ruggengraat accountant’, kopte Het Financieele Dagblad op 14 juni 2007. Het Nederlands Centrum voor Directeuren en Commissarissen (NCD) heeft met name de ‘Letter of Representation’ ter discussie gesteld.

Het NCD vindt het onjuist dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de cijfers geheel bij de leiding wordt gelegd. Zonder verificatie kan een directeur niet voor de juistheid daarvan instaan.

Het feit dat directeuren – die bij uitstek de accountantscontrolepraktijk kennen en daarin een sleutelpositie innemen (!) – publiekelijk twijfel hebben geuit aan de zelfstandige totstandkoming van het accountantsoordeel, ondermijnt de openbare accountantsfunctie en schept een onhoudbare situatie, die moet worden verholpen.

Varen op verklaringen (representations) van de leiding moet beperkt zijn tot aspecten die ook met een up-to-date volkomen accountantscontrole níet door de accountant kunnen worden vastgesteld, anders dan door ernaar te vragen.

Dit geldt voor gebeurtenissen en voorgenomen beslissingen die (nog) niet hebben, en beleid dat (nog) niet heeft, geleid tot geformaliseerde transacties en vastleggingen in de administratie en daartoe behorende gegevensdragers (artikel 2:10 BW), waarvan de wetenschap relevant is voor beoordeling van vermogen, resultaat, solvabiliteit en liquiditeit (artikel 2:362 BW).

Daarentegen kan de controlerend accountant de cijfers en de adequaatheid en effectiviteit van controlesystemen zelfstandig verifiëren. Voor deze essentiële controlebouwstenen moet de accountant daarom een gepaste verantwoordelijkheid aanvaarden en kan hij de verantwoordelijkheid niet axiomatisch ‘ongedeeld’ bij de leiding leggen, zoals in de huidige controlestandaarden gebeurt.

Dit is bovendien in strijd met de eis dat de controlerend accountant, vanwege zijn openbare controlefunctie in het algemeen belang, zich überhaupt toch al autonoom een oordeel vormt over de verantwoording van de leiding als zodanig (zie mijn vorige column in dit blad over ‘Eerlijke’ accountantscontrole).


OVERTUIGINGSKRACHT
De controlerend accountant moet vanuit de overtuigingskracht van de aan hem wettelijk toevertrouwde maatschappelijke verantwoordelijkheid communiceren via de krachtige communicatiemiddelen die hem ten dienste staan, te weten Accountantsverklaring, Jaarlijks verslag, Brieven van bevindingen en Letter of Auditor’s Autonomy. Zie hier een voorbeeldtekst van laatstgenoemde.

Adequate communicatie is bij uitstek de toetssteen voor de kwaliteit van de accountant en bepalend voor zijn toegevoegde maatschappelijke waarde. Om iedere twijfel uit te sluiten dient de controlerend accountant, als tegenhanger en ter aanvulling van de (tot het onvermijdbare minimum terug te brengen) ‘Letter of Representation’, te bevestigen dat zijn accountantsoordeel autonoom is verkregen en dat hij de verantwoordelijkheid voor zijn oordeel aanvaardt.

Toegespitst op de jaarrekening moet de accountant, onverminderd de verantwoordelijkheid van de leiding voor strategie, beleid en algehele leiding, zelfstandig vaststellen dat: (1) de onderneming zodanig is georganiseerd dat deze controleerbaar is, (2) de elektronische en niet-elektronische systemen adequaat en effectief zijn, (3) de bedrijfsgegevens materieel juist en volledig zijn verantwoord.


Drs. Ruud H. Veenstra RA heeft een lange staat van dienst als openbaar accountant van grote en internationale ondernemingen (vanaf 1970) en als onafhankelijk accountancyconsultant (vanaf 1992). Daarnaast publiceert hij regelmatig over vakonderwerpen. (www.veenstraaccountancy.nl)