Alle politieke partijen schreeuwen het van de daken: meer investeren in de samenwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. De vraag is waarom het buiten de technische vakken niet echt lukt.

Op het moment dat ik dit schrijf moet minister Bos de rijksbegroting nog gaan presenteren, maar vooraf is duidelijk dat de investeringen in onderwijs en onderzoek goeddeels buiten de aangekondigde verkrapping van de overheidsuitgaven zullen blijven. Onderwijs is immers de beste basis voor de zo gewenste verbeteringen in de concurrentiepositie van Nederland, de werkgelegenheid en de sociale mobiliteit van kansarme groepen in de samenleving. Onderzoek, de basis van kwaliteit onder het onderwijs, moet de weg openen naar een vitale toekomst in een steeds meer op elkaar aangewezen wereld.

Het fundamentele onderzoek van de universiteiten is daarvoor in veel gevallen de bron, maar meer in het bijzonder zoeken we de laatste jaren naar een stevige brug tussen academisch onderzoek en research & development vanuit het bedrijfsleven. We noemen dat deel van het onderzoek meestal innovatie. De verspreiding (diffusie) van de nieuw gevonden kennis gaat langs twee wegen: direct en indirect. Door studenten vroegtijdig bij wetenschappelijk onderzoek te betrekken en door de resultaten daarvan in het onderwijs mee te nemen ontstaat een route waarlangs de nieuwste kennis over de drempel van de alma mater wordt gedragen zodra deze studenten de arbeidsmarkt betreden.

Dit is de indirecte weg. Als universiteiten in onderzoeksprojecten samenwerken met R&D-afdeligen in het bedrijfsleven vormt dat een directe weg waarlangs kennis ontstaat en tot waarde gebracht kan worden (kennisvalorisatie). De indirecte weg wordt door de overheid grotendeels bekostigd door middel van een ‘vaste voet’ in de financiering van de universiteiten en door gerichte subsidies voor onderzoeksprojecten, bijvoorbeeld via het NWO. Op de directe weg zijn in de loop der jaren ook allerlei vehikels opgericht, waarvan het Innovatieplatform de bekendste is.


REALITEIT

Een mooi verhaal. Maar zo gaat het niet. In de eerste plaats zijn universiteiten van oudsher instituten die hechten aan een autonome sturing en oriënteren ze zich per vakgebied sterk internationaal. Daarbij speelt de onderlinge wedijver een belangrijke rol. Het uitzien naar de volgende editie van de belangrijke ranglijstjes gaat in de bestuurskamers met veel spanning gepaard. Die positie op die hitparades wordt voor het grootste deel bepaald door het aantal publicaties in een beperkt aantal zeer hoog aangeschreven wetenschappelijke tijdschriften.

Die voortdurende wedloop heeft ertoe geleid dat de wetenschappers zich enorm gespecialiseerd hebben. De ‘community’s’ van echte kenners zijn vaak niet groter dan enkele tientallen wetenschappers wereldwijd. Die fanatieke specialisatie is weliswaar productief, maar brengt met zich mee dat de integratie tussen onderzoek en onderwijs binnen de muren van de universiteit de laatste jaren is afgenomen.

Hoewel studenten worden opgeleid in een bepaald vakgebied en ondanks de specialisatie die daar door middel van een master aan wordt toegevoegd, zijn de meesten niet in staat de onderzoekers op het eigen vakgebied te volgen. Parallel daaraan is binnen de vakgroepen een informele scheiding ontstaan tussen het onderzoek en het onderwijsbedrijf. Voor het onderwijs zijn de eigen onderzoeksthema’s en de specifieke profilering van de faculteiten allang niet meer leidend.

De samenstelling van de curricula leidt een geheel eigen leven en is veel meer gericht op een allround opleiding op het vakgebied. Kijk maar eens naar de samenstelling van de curricula, de wervingsretorica en het gebruik van de boeken: vrijwel zonder uitzondering de vakken, keuzemogelijkheden en boeken die over heel de wereld worden aangeboden of gebruikt. De oriëntatie op de andere onderwijsinstellingen is veel dominanter dan op het eigen onderzoeksprofiel.

Dit helpt niet echt om de indirecte weg gestalte te geven. Op de tweede plaats is een belangrijk manco van de directe weg dat innovatie vooral gezocht wordt in de technische hoek en de bijbehorende industriële toepassingen. Weliswaar in brede zin: inclusief de medische en farmaceutische vakgebieden (de bio- of lifesciences), maar het brede spectrum van de menswetenschappen – zeer in trek bij studenten – valt nauwelijks enige aandacht en dus subsidie toe. Toch is een groot deel van de welvaart van ons land ontstaan door de pioniersgeest van de handelaar.

Niet Gerard, maar Anton heeft Philips groot gemaakt. Ondanks de vele incubators en startups die in het hoger onderwijs worden ondersteund om de brug tussen school en bedrijfsleven te intensiveren, is het aantal studenten dat op die manier een vliegende start maakt uiterst beperkt.


HET KAN BETER

Als we kijken naar het enorme potentieel aan vergevorderde studenten dat in het kader van het afstuderen onderzoek moet doen, doemen er interessante scenario’s op. Toch blijft dat meestal steken in ad-hocregelingen die per keer of per jaar overeengekomen worden. Al of niet bemiddeld door een stagebureau is de overwegende attitude van het bedrijfsleven er toch een van: what’s in it for me? In het kader van het rekruteringsbeleid worden de krenten uit de pap gepikt, of als er goedkope handjes nodig zijn, wil het ook nog wel eens lukken.

Kortom, een horizon van een maand of drie. Een alternatief zou kunnen zijn om met een groep van bedrijven – bijvoorbeeld uit dezelfde sector – een langdurige samenwerking aan te gaan waarin niet alleen stages een rol spelen, maar vooral onderzoek. Vrijwel elke onderneming heeft een lijst van nader te onderzoeken thema’s.

Die kunnen liggen op het terrein van de eigen processen en prestaties, zoals markt- en consumentenonderzoek of analyses in het kader van strategische beleidsvorming of marktverkenning. In het hoger onderwijs zijn letterlijk duizenden studenten geschikt en bereid om daaraan mee te werken. Een typische win-winsituatie zou je zeggen. Toch kost het ongelooflijk veel moeite om zoiets gestalte te geven.