Financieel directeuren moeten zich meer verdiepen in de pensioenproblematiek. Veel ondernemingen die een eigen pensioenfonds hebben of zijn aangesloten bij een bedrijfstakpensioenfonds, dreigen in de problemen te komen door hun sterk oplopende pensioenlasten en (eventuele) balansverplichtingen. Pas wanneer die onbetaalbaar zijn geworden, wordt er aan een oplossing gewerkt.


Het zou volgens Jurgen Stegmann, CFO van Robeco, beter zijn als CFO’s dit onderwerp op de agenda zetten, voordat het mis dreigt te gaan. Hij signaleert dat er in het oplossen van de problematiek duidelijk een maatschappelijke trend waarneembaar is in de vorm van een verschuiving van defined benefit (DB)-regelingen naar een defined contribution (DC)- regeling.

“De DB-regelingen van vroeger kunnen niet meer”, stelt Stegmann. “Een pensioen van 70 procent van het eindloon of middelloon is voor werkgevers niet langer houdbaar. De financiële lasten zijn voor bedrijven torenhoog geworden in verband met de lage rente. Daar bovenop hebben de moderne boekhoudregels en de vernieuwde solvabiliteitseisen voor pensioeninstellingen ertoe bijgedragen dat de pensioenlasten en de balansverplichtingen zichtbaar zijn geworden. De meeste pensioenfondsen kampen met grote tekorten en het betrokken bedrijf moet deze aanvullen. Deze verplichtingen verschijnen uiteindelijk in de jaarrekening van het bedrijf. Daarmee worden ze een probleem voor de CFO en de aandeelhouders, die graag een jaarrekening met zo weinig mogelijk onzekerheden zien.”

De boekhoudregels van IFRS brengen het volledige fundingtekort van pensioenfondsen naar voren en dat wordt gecorrigeerd op het eigen vermogen. “Het gaat bij veel bedrijven om heel grote bedragen en dat is onprettig. Als je kans ziet om je pensioenregeling om te bouwen naar een DC-regeling, ben je die variabele last voor het bedrijf kwijt. Dat is prettig voor de CFO. De pensioenlast wordt daardoor beter voorspelbaar en de omvang van de balansverplichtingen wordt een heel stuk kleiner.”

Daarbij is het volgens Stegmann van belang om niet alleen in de toekomst naar een andere pensioenregeling over te gaan, maar vooral ook de omvangrijke opgebouwde DB-rechten en bijbehorende financiële verplichtingen uit het verleden te adresseren. Stegmann betwijfelt of dit bij alle CFO’s duidelijk op de radar staat.

“Dit soort discussies komt meestal pas naar boven op het moment dat er in positieve of negatieve zin iets met het bedrijf gebeurt, bijvoorbeeld een overname waardoor pensioenregelingen moeten worden samengevoegd en geharmoniseerd. Dan krijg je allerlei discussies over opgebouwde rechten, de financiering daarvan en wat er in de toekomst moet gebeuren. Een gemiddeld bedrijf betaalt inmiddels een vrij hoge kostendekkende premie aan het pensioenfonds en de premienota is de afgelopen jaren verder gestegen. De totale last voor het bedrijf is hoog en economisch gaat het ook niet super. Dat betekent voor de CFO de opdracht om er niet alleen voor te zorgen dat het bedrijf door de economische crisis komt, maar ook om de bijna uit de hand gelopen lasten zoals pensioenen te managen.”

Sinds 2011 kent het Nederlandse pensioenstelsel ook de premiepensioeninstelling (PPI). Deze pensioeninstelling mag, anders dan pensioenfondsen, ook worden opgericht door financiële dienstverleners, waaronder banken en vermogensbeheerders. In tegenstelling tot verzekeraars en pensioenfondsen mag de PPI geen risico’s op de balans zetten zoals overlijdensrisico- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen. De PPI biedt wel nabestaanden- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringen aan als bemiddelaar tussen werkgevers en verzekeraars. Het is aan de werkgevers om te beslissen of ze deze verzekeringen willen en bij welke verzekeraar ze die willen afsluiten.

Robeco heeft in 2011 een PPI opgericht die DC-regelingen aanbiedt. Volgens Stegmann bestaan er nog veel vooroordelen en mythen over de DC-regeling. Aan het gebruiken van ‘individual accounts’ zouden hogere kosten verbonden zijn en als je zelf moet beleggen, neem je vaak de verkeerde beslissingen. Dat zijn vooroordelen, aldus Stegmann.

Vooroordelen en mythen omtrent DC-regelingen ontkracht

1. DC-regelingen genereren lagere pensioenen dan DB-regelingen
In de praktijk wordt er minder geld in een DCregeling ondergebracht dan bij DB-regelingen. Als de deelname en inlegpremies op een gelijk niveau liggen, ligt ook het pensioenniveau van DC-regelingen veel dichter bij dat van DB-regelingen. De lage beleggingsrendementen zijn een bedreiging voor alle pensioenregelingen, niet alleen voor DC-regelingen.

2. Deelnemers aan DCregelingen nemen slechte beleggingsbeslissingen
Verondersteld wordt dat de meeste mensen niet voldoende financieel onderlegd zijn om goede beleggingsbeslissingen te nemen voor hun oude dag. Dit hoeft echter geen probleem te zijn, zolang er zorgvuldig ontworpen standaard lifecycle-beleggingsstrategieën worden aangeboden. Dan kan het beleggen worden overgelaten aan deskundigen.

3. De beheervergoedingen in DCregelingen zijn te hoog
De beheervergoedingen hangen af van de complexiteit en schaalgrootte. Omdat DC-regelingen in het verleden klein en niet gestandaardiseerd waren, leidde dit tot hogere beheerkosten. Nu DC-regelingen meer vermogen aantrekken, zijn de beheervergoedingen gedaald naar institutioneel niveau. De DC-regeling is daarnaast minder complex en daardoor zijn de beheerkosten logischerwijs lager dan voor DB-regelingen.


####


4. De collectiviteit gaat verloren in DC-regelingen
In moderne DC-regelingen wordt collectiviteit gebruikt om gunstiger beheervergoedingen te verkrijgen en om risicodelende regelingen aan te bieden, zoals een arbeidsongeschiktheidspensioen en nabestaandenpensioen. Het delen van risico’s tussen generaties is niet van toepassing, waardoor verdelingsvraagstukken achterwege blijven.

5. Deelnemers aan DC-regelingen lopen een groot renterisico
In Nederland geldt de verplichting om het totale opgebouwde pensioenkapitaal op de pensioendatum om te zetten in een levenslange periodieke pensioenuitkering. Annuïteiten worden door de verzekeringsmaatschappijen geprijsd tegen de marktrente. Dit betekent dat er bij een lage rente relatief weinig periodieke pensioenuitkering kan worden ingekocht. Pensioenaanbieders hebben in hun nieuwe innovatieve lifecycle-strategieën rentedekking opgenomen om dit ‘renteconversierisico’ te verkleinen.

Stegmann: “Via de moderne DC-regelingen wordt op collectieve basis een optimaal pensioenkapitaal opgebouwd voor grote groepen werknemers. De deelnemers kunnen een eigen invulling aan hun beleggingsprofiel geven, maar ze kunnen ook kiezen voor een lifecycle-oplossing die is gebaseerd op leeftijd. Iemand die dicht bij zijn pensioen zit, neemt hierbij minder risico dan iemand die nog veertig jaar zal werken. Binnen de collectiviteit van een PPI krijgt iedere deelnemer een op maat gemaakte beleggingsstrategie, die automatisch wordt aangepast naarmate de pensioendatum nadert. Een DC-regeling maakt het generatieprobleem bij pensioen zichtbaar. De meeste pensioenregelingen zijn collectief: iedereen deelt mee, of hij nu oud of jong is.”

Er komen steeds meer gepensioneerden ten opzichte van degenen die werken en pensioenpremie betalen. Tegelijkertijd zijn de pensioenfondsen in onderdekking. “De neiging is om deze tekorten af te wentelen op de jongeren en de pensioenuitkeringen van de gepensioneerden zo veel mogelijk te ontzien. Dit betekent een potentieel generatieconflict. Degenen die nu werken, zullen de solidariteit met dat steeds groter wordende deel gepensioneerden niet langer accepteren. De verschuiving van DB naar DC voorkomt dit generatieconflict en verdelingsvraagstuk, omdat iedere deelnemer zijn eigen pensioenpot heeft”, stelt Stegmann.

De toegevoegde waarde van een PPI ligt volgens de Robeco-topman in maatwerk en in het feit dat een PPI ook over de grens toepasbaar is. Ben je als bedrijf actief in meerdere landen in de Europese Unie, dan kun je het pensioen voor je werknemers in de diverse buitenlandse vestigingen vanuit Nederland en vanuit één PPIinstelling regelen. Deelnemers kunnen hun eigen pakket samenstellen en zelf kiezen of ze zich willen verzekeren voor arbeidsongeschiktheid en bij wie. De werkgever kan dit met de werknemers bespreken. Men kiest voor zijn eigen beleggingsprofiel en wie niet zelf wil beleggen, kan kiezen voor een lifecycle-strategie.

De Robeco PPI is een stichting en het geld blijft altijd eigendom van de deelnemer. Voor de eigen werknemers van Robeco bestaat de pensioenregeling uit een combinatie van DB en DC. Tot een bepaald bedrag bouwen ze in het pensioenfonds een pensioen op en daarboven krijgen ze extra geld dat ze kunnen beleggen in een collectieve DC-regeling of laten uitbetalen.

“Er zijn meer bedrijven die dit doen, wij zijn in 2002 een van de eersten geweest. Het is geen volledige DCregeling, maar misschien gaan we in de toekomst wel verder die kant op. Daar moeten we over praten”, stelt Stegmann. Over de toekomst van de PPI als nieuwe Nederlandse pensioeninstelling is hij optimistisch.

“De Nederlandse markt voor de PPI is groot. Het is hier heel normaal dat je pensioen opbouwt. We zijn na de oorlog goed bezig geweest met de opbouw van pensioenen, Nederland is dan ook een pensioenrijk land, we hebben relatief het grootste pensioenvermogen in de wereld. In Nederland zit de groei van de markt vooral in het omvormen van DBpensioenen naar een DC. In andere landen om ons heen wordt maar heel beperkt pensioen opgebouwd, en soms is er nog geen sprake van pensioenopbouw. Er wordt nu pas meer over pensioen nagedacht en de opbouw wordt gestimuleerd. Hier ligt een enorme markt voor ons. De PPI is hier een uitstekende oplossing voor.”

Stegmann merkt dat in Nederland veel jongere werknemers geïnteresseerd zijn geraakt in hun pensioen. “Het staat op de agenda, in bedrijven wordt discussie gevoerd over het pensioen. Het is belangrijk dat de CFO weet dat hij hierover vragen gaat krijgen vanuit het eigen bedrijf. Ik krijg ook veel vragen, zeker omdat wij beleggers zijn en de meeste mensen bij ons goed op de hoogte zijn.”

Over de toekomst van de pensioenen in Nederland is Stegmann stellig: “We zullen moeten wennen aan pensioenen die niet meer zo riant zijn als die van de mensen die nu met pensioen gaan. Het belangrijkste probleem is dat er door de afname van het aantal werkenden minder nieuw geld in de pensioenfondsen komt. Om dit te ondervangen zijn we bezig met die verschuiving van DB naar DC. Het zal zeker niet zo zijn dat we zonder pensioen komen te zitten, maar het zal wel een onsje minder zijn.”

Een van de aangekondigde overheidsmaatregelen die tot lagere toekomstige aanvullende pensioenen zullen leiden, is de beperking van de fiscale vrijstelling van pensioenopbouw. “Dat betekent dat de opbouw boven op de AOW gewoon een lager percentage van het loon zal zijn. Je opbouw gaat daardoor veel langzamer. Dat kunnen uiteindelijk behoorlijk grote verschillen zijn. Het gaat om maar liefst 25 procent minder pensioenopbouw, en als je dat over een termijn van veertig jaar doorrekent, gaat het om grote verschillen in de pensioenuitkering die je later als gepensioneerde gaat ontvangen.”

Of we willen of niet, we moeten ons meer dan voorheen bezighouden met het leven na het pensioen, vindt Stegmann. “We zijn de afgelopen veertig tot vijftig jaar een beetje verwend geraakt door de alsmaar groter wordende vermogens van de pensioenfondsen in Nederland. Het is nu zo dat de reserves de komende vijftien jaar gaan zakken, doordat er meer geld uitgaat dan er binnenkomt.”

Werkenden kunnen overigens zelf nu al maatregelen nemen om er na hun pensioen toch warmpjes bij te zitten. “Ze moeten zorgen dat ze op het moment dat ze met pensioen gaan niet veel schulden hebben. Dat is te meer van belang in verband met de hypotheekrenteaftrek, die er op termijn wellicht ook minder comfortabel uitziet. Er moet meer over worden nagedacht: hoe kan ik zelf regelen dat ik minder lasten heb en daardoor minder merk van een lager pensioen?”


Premiepensioeninstelling (PPI)
Vanaf 1 januari 2011 bestaat de mogelijkheid om een premiepensioeninstelling (PPI) op te richten. De PPI is een nieuwe Nederlandse pensioeninstelling naast het pensioenfonds en de pensioenverzekeraar. De PPI mag grensoverschrijdend actief zijn en buitenlandse pensioenregelingen uitvoeren. De PPI is vooral geschikt voor het uitvoeren van DCregelingen. Een kenmerk van een DC-regeling is dat de deelnemer individueel pensioenkapitaal opbouwt. Daarbij loopt de deelnemer zelf het beleggingsrisico. Dit is af te dekken door een lifecycle-beleggingsstrategie. De uitvoeringskosten van de PPI zijn laag en transparant en worden door middel van een aparte factuur in rekening gebracht. Een PPI biedt ook integraal nabestaandenpensioen of arbeidsongeschiktheidspensioen, maar besteedt de risico’s daarvan uit aan een verzekeraar. Een PPI kan zowel door financiële dienstverleners als door werkgevers zelf worden opgericht.