Pensioenfondsen kregen in januari flinke klappen te verwerken. Dat blijkt uit de Pensioenthermometer van verzekeraar Aon.

De indicatieve gemiddelde dekkingsgraad van de Nederlandse pensioenfondsen is in januari teruggelopen naar 110%. De aandelen, vastgoed, bedrijfsobligaties en EMD kregen met tegenslag te maken. De rente bleef nagenoeg stabiel, maar de verlaging van de UFR zorgde voor een stijging van de verplichtingen. De stijgingen van december 2021 zijn hiermee direct teniet gedaan.

De indicatieve beleidsdekkingsgraad, gebaseerd op de gemiddelde dekkingsgraad van de afgelopen twaalf maanden, steeg eerder nog naar 109%. Pensioenkortingen leken van de baan en zijn met dit gemiddelde ook nog niet direct in beeld.

In januari draaide het sentiment volledig om ten opzichte van december 2021. Enerzijds was er sprake van goed nieuws over de economische groei in de VS, 6,9% op jaarbasis in het vierde kwartaal, maar ook van bedrijven die goede resultaten over het vierde kwartaal meldden. Aan de andere kant waren de verwachtingen wat minder positief door toegenomen onzekerheid als gevolg van de torenhoge inflatie, die niet alleen impact heeft op de kostprijs van producten maar ook op het besteedbare inkomen van de consument. Tevens liet de Amerikaanse Centrale Bank (Fed) doorschemeren dat de inflatie weleens wat langer kon aanhouden, dat ze in maart haar opkoopprogramma voor obligaties beëindigt en de rente gaat verhogen. Hierdoor werden beleggers nerveus en bereikte de rente op Amerikaanse staatsobligaties het hoogste punt in twee jaar, aangezien beleggers rekeninghouden met vier renteverhogingen in 2022.

Bovendien liepen de spanningen tussen Oekraïne en Rusland verder op, nadat de Russische president Vladimir Poetin de schriftelijke reactie van de VS op de veiligheidseisen van Moskou verwierp. Ondertussen verplaatsen de VS en de NAVO-landen troepen naar Centraal- en Oost-Europa om de militaire opbouw van Rusland aan de grens tegen te gaan.

Al met al geen goede basis voor risicovolle beleggingen, waardoor wereldwijd aandelen met bijna 4% daalden, aandelen ontwikkelde markten met 4,5% en de opkomende markten hielden de schade beperkt tot 0,5%. Beursgenoteerd vastgoed daalde met ongeveer 4%.

Alleen commodities wist met 13% rendement te profiteren van de stijgende grondstofprijzen. De stijgende rente had een negatief effect op alle vastrentende waardecategorieën. Deze daalden met bijna 2%: bedrijfsobligaties en high yield noteerden 2% lager en emerging market debt zelfs 3%. Op totaalniveau behaalde de portefeuille een negatief resultaat van ruim 3%.

De rente bleef nagenoeg op zijn plaats in januari. Per saldo steeg in een maand tijd de risicovrije rente over de eerste veertig jaar met gemiddeld 8 basispunten. Door de daling van de Ultimate Forward Rate (UFR), waarmee pensioenfondsen de waarde van hun toekomstige verplichtingen berekenen, naar 1,4% namen de verplichtingen toe. Per saldo stegen de verplichtingen met 0,3%.

Onlangs zijn de dekkingsgraden van de vijf grote fondsen gepubliceerd en die zagen er een stuk rooskleuriger uit dan aan het begin van 2021. In combinatie met de versoepeling van de indexatieregels die dit jaar van kracht moet worden, gaf dit hoop op indexatie. “Eén tegenvallende maand en de cijfers zien er weer een stuk anders uit”, zegt Frank Driessen, chief executive officer van Aon’s Wealth Solutions. “Dit toont de grote afhankelijkheid van de dekkingsgraad van marktontwikkelingen.” Maar aandelenrisico is ook nodig om voldoende rendement te maken. Pensioenfondsen zijn langetermijn-beleggers en het incasseren van schokken hoort er bij. Wel is het belangrijk bij de keuzes die voorliggen, zoals het eerder toekennen van indexatie, hiermee rekening te houden. Het beleid moet consistent zijn, rekening houdend met de uitkomsten onder het nieuwe pensioencontract.

Indexatieregels

Er wordt ondertussen gewerkt aan wetgeving om het mogelijk te maken om eerder te indexeren. Deze mogelijkheid zou vanaf 1 januari 2022 moeten gelden en geeft de ruimte om te indexeren vanaf een beleidsdekkingsgraad van 105%. Op basis van de gemiddelde indicatieve beleidsdekkingsgraad van 109% zou er dan toch geïndexeerd kunnen worden dit jaar. “Dit is echter een lastige afweging voor fondsen”, zegt Driessen. “Geld eenmaal uitgegeven aan indexatie kan niet meer gebruikt worden voor de transitie naar het nieuwe stelsel.” Daarnaast zien we dat de financiële situatie er ook zo weer anders uit ziet. Tot slot zijn er nogal wat eisen aan deze eerdere indexatie. Zo moet een fonds aantonen dat de eerdere indexatie in het belang is van alle deelnemers en moeten er complexe berekeningen gemaakt worden om dit aan te tonen. Wij verwachten daarom dat niet alle fondsen hiervan gebruik zullen willen maken. De maatschappelijke druk is echter enorm en als de grote fondsen wel gaan indexeren, zal de druk op de kleinere nog groter worden.

Minister Schouten heeft de nieuwe commissie Parameters benoemd. Deze commissie moet zich buigen over de maximale verwachte rendementen op beleggingen, maar ook de vraag beantwoorden of de URM-berekeningen (Uniforme Rekenmethodiek) op 2.000 of 10.000 scenario’s moeten plaats vinden. De rekenfrequentie van deze berekeningen gaat dit jaar omhoog. Pensioenuitvoerders, dus ook pensioenfondsen, moeten vanaf 1 januari 2022 elk kwartaal een update van de URM-bedragen (laten) maken op basis van de meest recente DNB-scenario’s en actuele dekkingsgraad. Pensioenuitvoerders worden hiermee voor een behoorlijke uitdaging geplaatst. “Wij geven de commissie parameters mee om terug te gaan naar 2.000 scenario’s”, zegt Driessen. “De meerwaarde van de extra scenario’s is zeer beperkt, terwijl de rekentijd onevenredig toeneemt.”