In 2006 was bijna 85 procent van de werkende 45-plussers al minimaal vier jaar werkzaam in hun baan. De honkvastheid neemt toe met de jaren. Dat meldt het CBS.

In 2006 was ruim een derde van de werkzame beroepsbevolking mobiel, dat wil zeggen nog geen vier jaar werkzaam in zijn of haar toenmalige baan. Vrouwen waren iets mobieler dan mannen. Met de jaren neemt de arbeidsmarktmobiliteit af. Van de 45–54-jarigen waren nog bijna twee op de tien mobiel, van de 55-plussers nog maar één op de tien.

De meeste economisch actieve ouderen werkten in 2006 al minstens vier jaar in hun baan. Onder ouderen met een baan van middelbaar beroepsniveau is het aandeel niet-mobielen het grootst. In de elementaire en wetenschappelijke beroepen is de mobiliteit op de arbeidsmarkt groter. Een vergelijkbaar patroon is te zien bij een onderscheid naar opleiding. Werkenden van 45–64 jaar met een middelbare opleiding werken het vaakst al geruime tijd in dezelfde baan.

De arbeidsmobiliteit van ouderen is het hoogst in de horeca en de zakelijke dienstverlening en het laagst in de landbouw en bij financiële instellingen.

Werkenden van 55 jaar of ouder die mobiel zijn op de arbeidsmarkt werkten in 2006 gemiddeld 31 uren per week. Niet mobiele 55-plussers werkten gemiddeld 35 uur per week. Mobiele werkenden van 45–54 jaar werkten gemiddeld bijna 34 uur, wat vrijwel gelijk is aan de gemiddelde werkweek op de arbeidsmarkt.