Ontslag

In Nederland heeft de bestuurder van een rechtspersoon vaak een dubbele rechtsbetrekking. Leden of aandeelhouders benoemen hem als statutair bestuurder. Het rechtspersonenrecht beheerst deze functionele relatie. Daarnaast is die bestuurder vaak op arbeidsovereenkomst werkzaam (contractuele relatie).

In dat geval beheerst het arbeidsrecht die rechtsrelatie. Dit roept vragen op over de gevolgen van de beëindiging van de functionele relatie voor het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst en omgekeerd.

De reden voor ontslag als bestuurder vormt veelal geen basis voor ontslag op staande voet als werknemer. Daardoor duurt, na de beëindiging van het bestuurderschap, de arbeidsovereenkomst in beginsel voort.

Tot voor kort werd aangenomen dat de arbeidsovereenkomst in dat geval moet worden beëindigd door regulier ontslag of ontbinding door de kantonrechter. In april 2005 doorbrak de Hoge Raad dit dilemma met zijn oordeel dat de beëindiging van de functionele relatie als bestuurder van NV of BV ook steeds de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich brengt.

De functionele relatie is volgens de wet te allen tijde te beëindigen bij besluit van het orgaan dat tot benoeming bevoegd is. Dus ontslaat de aandeelhoudersvergadering de bestuurder als statutair bestuurder van BV of NV, dan eindigt per dat moment ook de arbeidsovereenkomst.

Lagere rechtspraak neemt aan dat ook het omgekeerde toepassing vindt. Consequentie van die aanname is dat het bestuur van de vennootschap niet het ontslag van een bestuurder als werknemer kan verlenen. Immers, als dat ontslag leidt tot beëindiging van de functionele relatie, eist de rechter dat het orgaan dat de bestuurder in die hoedanigheid benoemde, ook bij het ontslag uit de arbeidsovereenkomst betrokken is.

Ontslag van een werknemer vereist een ontslagvergunning van het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI). Dit vereiste geldt niet voor het ontslag van de bestuurder van NV of BV.

Deze benadering van dubbele rechtsbetrekking door de Hoge Raad geldt de relatie tussen kapitaalvennootschap en statutair bestuurder. Vraag is of hetzelfde moet worden aangenomen bij andere rechtspersonen, zoals vereniging of stichting.

Complicerende factor is dat ontslag van die bestuurders wel een ontslagvergunning van het CWI vereist. Recent speelde deze vraag bij de kantonrechter te Venlo. Het betrof het ontslag van de bestuurder van een stichting. Betrokken bestuurder stelde dat zijn ontslag als bestuurder niet de beëindiging van de arbeidsovereenkomst met zich bracht.

De vraag die de kantonrechter moest beantwoorden is of de leer van de Hoge Raad één op één op de positie van de bestuurder van een stichting is toe te passen. Daar is veel voor te zeggen, omdat de aard van de dubbele rechtsbetrekking tussen bestuurder en rechtspersoon niet verschilt wanneer die rechtspersoon een BV of een vereniging of stichting is.

De kantonrechter liep echter aan tegen het probleem dat voor het ontslag uit de arbeidsverhouding de werkgever (stichting) een ontslagvergunning van het CWI nodig heeft.

De leer van de Hoge Raad, waarbij de arbeidsovereenkomst eindigt op het moment van het ontslag van de bestuurder als bestuurder, is niet toe te passen op de op arbeidsovereenkomst werkzame bestuurder van een vereniging of stichting.

Wanneer de reden voor ontslag uit de functionele relatie niet tevens kwalificeert als reden voor ontslag op staande voet, moet de vereniging of stichting zich tot het CWI wenden voor een ontslagvergunning. Mogelijk is ook de arbeidsovereenkomst te laten ontbinden door de kantonrechter.

Conclusie is dat bij het ontslag van de bestuurder als bestuurder van een vereniging of stichting, de arbeidsovereenkomst blijft doorlopen tot reguliere beëindiging. Veel pleit voor aanpassing van de regeling, waarbij het vereiste van een ontslagvergunning ook wordt geschrapt bij het ontslag van de bestuurder van vereniging of stichting.


prof. mr. C.A. Schwarz is hoogleraar handels- en ondernemingsrecht aan de Universiteit Maastricht en partner bij Berk Accountants & Belastingadviseurs NV.