Ontbreken herinvesteringsvoornemen (HIR) kan ook achteraf blijken

Het ontbreken van een herinvesteringsvoornemen kan ook achteraf blijken. Het gevolg is dat een gevormde herinvesteringsreserve (HIR) alsnog moet vrijvallen op de balansdatum van het boekjaar waarin het herinvesteringvoornemen niet langer meer bestaat.

De Hoge Raad heeft onlangs beslist in een specifieke situatie waarbij sprake was van een ontvoeging van een dochter-bv uit een fiscale eenheid. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van Hof Arnhem dat de gevormde HIR moest vrijvallen in de winst van de moedermaatschappij van de fiscale eenheid.
 
De procedure voor de Hoge Raad betrof vereenvoudigd weergegeven het volgende. Een bv maakte tot 9 maart 2007 als dochtermaatschappij deel uit van een fiscale eenheid. Op 29 september 2006 had de dochter-bv een kantoorpand met een boekwinst van € 736.010 verkocht. In de aangifte vennootschapsbelasting over 2006 had de fiscale eenheid deze boekwinst in een HIR opgenomen.

De fiscale eenheid had in januari 2007 nog naar een vervangende investering gezocht, maar slaagde daarin niet. Een derde had belangstelling voor de dochter-bv waarop de moedermaatschappij de aandelen in de dochter-bv verkocht en op 9 maart 2007 aan die derde leverde. Bij het regelen van de aanslag vennootschapsbelasting 2007 van de moedermaatschappij rekende de inspecteur de € 736.010 van de HIR tot de belastbare winst van de moedermaatschappij.

De moedermaatschappij stelde dat op 9 maart 2007 het herinvesteringsvoornemen bij de dochter-bv nog steeds bestond, waardoor deze correctie niet terecht was. Bovendien zou een eventuele vrijval van de HIR volgens de moedermaatschappij niet binnen de fiscale eenheid maar bij de ontvoegde dochter-bv moeten plaatsvinden.
 
Hof Arnhem was op basis van wetsystematiek en redelijke wetstoepassing van oordeel dat het boekjaar van de bv als onderdeel van de fiscale eenheid werd afgesloten met betrekking tot die onderdelen van de geconsolideerde balans van de fiscale eenheid, die na de ontvoeging moesten worden toegerekend aan de te ontvoegen dochter (de bv). Dat bracht volgens het hof mee dat voor het ontvoegingstijdstip moet worden bezien of nog sprake is van een herinvesteringsvoornemen.

Het hof had uit de notulen van de algemene vergadering van aandeelhouders van de moedermaatschappij van 3 mei 2007 opgemaakt dat de moedermaatschappij het vervangingsvoornemen al voor het ontvoegingstijdstip (9 maart 2007) had laten varen. Het hof oordeelde dat de HIR moest vrijvallen en in de winst van de moedermaatschappij worden opgenomen, omdat het herinvesteringsvoornemen al niet meer bestond toen de dochter-bv nog deel uitmaakte van de fiscale eenheid met de moedermaatschappij.
 
Hoge Raad, 9-11-2012, nr. 11/05078.

Bron: PwC Belastingnieuws