Op dit moment ligt het wetsvoorstel Flexibilisering en Vereenvoudiging BV-recht voor bij de Eerste Kamer. Wanneer de Senaat vaart maakt is invoering van het nieuwe BV-recht per 1 januari 2011 mogelijk. De familievennootschap is daarmee zeer gebaat.

De wijzigingen zijn ingrijpend. Regels van kapitaalbescherming komen te vervallen, evenals de verplichting tot beperking van de vrije overdracht van aandelen. Vanaf dat moment kan recht worden gedaan aan wat de BV in de praktijk is, nl. een maatschapsachtige structuur waarin individuele samenwerking en aandeelhoudersbetrokkenheid bij de vennootschap en zijn onderneming het uitgangspunt zijn.

De wet zal grote vrijheid bieden bij de inrichting van de juridische structuur en er kan in hoge mate rekening gehouden worden met de wensen van de ondernemers. Ik noem een paar belangrijke wijzigingen. Naar huidig recht ontleent de aandeelhouder vorderingsrechten en lidmaatschapsrechten aan zijn aandeelhouderschap.

Naar komend recht wordt het mogelijk aandelen uit te geven zonder stemrecht of zonder winstrecht. De voordelen liggen hier vooral in de sfeer van ‘estate-planning’. Wanneer de ondernemer start en zijn kinderen jong zijn kan hij aandelen zonder stemrecht bij hen plaatsen, zodat zij vermogensrechtelijk meegroeien met de ontwikkeling van de BV.

Later, bijvoorbeeld bij terugtreden van de oprichter, is denkbaar dat aan de aandelen van de kinderen stemrecht wordt verbonden. Op dat moment zou het stemrecht van de oprichter kunnen komen te vervallen.

Een andere belangrijke wijziging is de mogelijkheid bestuurders te doen benoemen door de houders van een bepaalde soort aandelen. In het familiebedrijf zouden de kinderen A,B, C en D resp. aandelen A, B, C en D kunnen ontvangen, en elk een eigen bestuurder kunnen benoemen. Men denkt hier bijvoorbeeld ook aan oprichters van een high tech onderneming die een krachtige participatie van investeerders nodig hebben voor onderzoek en ontwikkeling.

In zo’n geval is het kapitaalsbelang van oprichters verwaarloosbaar in verhouding tot de positie van de investeringsmaatschappij. Dat geeft in de praktijk veel problemen met het toekennen van stemrechtrecht in de aandeelhoudersvergadering. Naar huidig recht benoemt de aandeelhoudersvergadering immers het bestuur en is de zeggenschap van aandeelhouders gerelateerd aan hun kapitaalsbelang.

Naar komend recht wordt het mogelijk de oprichters een soort aandeel toe te kennen (aandelen O) evenals de investeerders (aandelen I). Statutair kan vervolgens worden bepaald dat aandeelhouders O en aandeelhouders I een (of meer) eigen bestuurder benoemen. Bij zo’n inrichting ontstaat het gevaar dat bestuurders vooral kijken naar de belangen van de categorie aandeelhouders die hen benoemt.

Dit probleem kan naar komend recht worden ondervangen door statutair te bepalen dat bestuurders niet worden ontslagen door degene die hen benoemt, maar door een ander orgaan van de vennootschap, bijvoorbeeld de Raad van Commissarissen. Het op maat snijden van de vennootschappelijke jas wordt verder gefaciliteerd door de wettelijke voorziening dat aan aandelen met een gelijk nominaal bedrag verschillend stemrecht kan worden toegekend en, bijvoorbeeld, de mogelijkheid om statutair te bepalen dat op aandeelhouders aanvullende (financiële) verplichtingen komen te rusten in nauwkeurig omschreven situaties. Het is te hopen dat de Eerste Kamer tempo maakt.