Het onderzoeksinstituut Erasmus Centre for Business Innovation van de Erasmus Universiteit Rotterdam voert jaarlijks de Erasmus Concurrentie en Innovatie Monitor uit.

Het onderzoek staat onder leiding van Prof.dr. Henk W. Volberda, hoogleraar Strategisch Management en Ondernemingsbeleid aan Rotterdam School of Management, Erasmus University (RSM). 

De belangrijkste bevindingen zijn:
 
1. Nederlandse bedrijven investeren weer fors in onderzoek en ontwikkeling (R&D)
Na een jarenlange daling (sinds 2009) zijn de investeringen in onderzoek en ontwikkeling (R&D) en in informatie- en communicatietechnologieën (ICT) het afgelopen jaar weer substantieel toegenomen. Bij R&D-investeringen gaat het om een stijging van 2,1% naar 4,3% van de omzet en bij ICT een stijging van 2,0% naar 4,8% van de omzet.

2. De menselijke kant van innovatie blijft echter grotendeels onbenut
Voor de succesvolle toepassing van deze nieuwe technologieën binnen bedrijven zijn investeringen in R&D echter onvoldoende. Disruptieve technologieën zoals kunstmatige intelligentie, biotechnologie, Internet of Things, robotisering en 3D-printing zullen nieuwe economische groei mogelijk maken, maar kunnen ook leiden tot nieuwe sociale conflicten.

3. Innovatiecampussen en scienceparken verhogen het innovatievermogen van met name achterblijvers
Organisaties die bij innovatie-activiteiten voornamelijk samenwerken met externe partijen die hoofdzakelijk gevestigd zijn in een innovatiecampus of sciencepark scoren hoger op verschillende typen innovaties: verbeterde producten en diensten voor bestaande markten ofwel incrementele innovatie (+6%), nieuwe producten en diensten voor nieuwe markten ofwel radicale innovatie (+21%), en fundamenteel nieuwe producten en diensten die concurrenten op grote achterstand zetten ofwel disruptieve innovatie (+22%). Echter, goed presterende bedrijven zijn juist minder gericht (-4%) op samenwerking met partners die op innovatie campussen en scienceparken gevestigd zijn.

4. Innovatiekoplopers hebben een sterke internationale oriëntatie door meer samen te werken met innovatiepartners die buiten Europa zijn gevestigd
Bedrijven die hoog scoren op radicale en disruptieve innovatie (innovatiekoplopers) werken bij innovatieactiviteiten vooral meer samen met partners die gevestigd zijn buiten Europa. Voor radicale innovatie en disruptieve innovatie betreft dit verschil achtereenvolgens 35% en 27%.

5. Flexibele werktijden van medewerkers bevorderen de productiviteit en medewerkerstevredenheid van bedrijven, maar flexibele werklocaties van medewerkers leiden juist tot meer radicale innovatie en disruptieve innovatie
Organisaties waarbij medewerkers veel mogelijkheden en eigen inbreng hebben met betrekking tot werktijden (flexibele werktijden) zijn productiever en zij hebben meer tevreden medewerkers. Flexibiliteit in de locatie waar gewerkt wordt (alternatieve locatie binnen het bedrijf, vanuit huis of elders werken) speelt daar geen voorname rol in. Organisaties die hoog scoren op flexibele werklocaties scoren juist hoger op radicale innovatie en disruptieve innovatie. In dit geval spelen flexibele werktijden juist geen voorname rol.

6. Een grotere flexibele schil kan bedrijven helpen om nieuwe externe kennis aan te wenden voor innovatie, maar leidt tot uitstelgedrag van eigen investeringen in R&D en ICT
De flexibele schil van bedrijven bestaat bijvoorbeeld uit zelfstandigheden, uitzendkrachten, oproep- en invalkrachten, medewerkers met een tijdelijke aanstelling en medewerkers met aan aanstelling van minder dan 12 uur per week. Bedrijven met een relatief grote flexibele schil scoren hoger op disruptieve innovatie (+5,9%), radicale innovatie (+4,6%), en incrementele innovatie (3,6%) dan bedrijven met een beperkte flexibele schil. Echter, bedrijven met een grote flexibele schil investeren minder in R&D (-3,5% van de omzet) en ICT (-1,1% van de omzet).

7. Duurzame inzetbaarheid bevordert het innovatievermogen in vergrijsde organisaties
Duurzame inzetbaarheid betreft de mate waarin medewerkers elders ingezet kunnen worden, binnen de huidige organisatie of erbuiten. Organisaties met oudere medewerkers die relatief beperkt duurzaam inzetbaar zijn scoren 5,3% lager op radicale innovatie dan de referentiegroep: organisaties met jongere medewerkers die relatief beperkt duurzaam inzetbaar zijn. Organisaties met oudere medewerkers die wel duurzaam inzetbaar zijn scoren juist 26,2% hoger op radicale innovatie dan de referentiegroep.

8. Het leveren van een maatschappelijke bijdrage vraagt om transformationeel leiderschap en zelforganisatie
Innovatieve bedrijven zijn niet alleen winstgericht, maar willen ook een bijdrage leveren aan het oplossen van grote maatschappelijke vraagstukken. Om een meer sterke focus te krijgen op het leveren van een maatschappelijke bijdrage is zowel transformationeel leiderschap nodig als zelforganisatie. Organisaties die daar actief mee zijn scoren 40% hoger op het leveren van een maatschappelijke bijdrage dan organisaties die daar niet tot nauwelijks mee actief zijn.

9. De regio’s Noord-Holland, Midden-Oost-Brabant en Twente/Achterhoek/Drenthe zijn innovatiekoplopers
De regio Noord-Holland (postcodegroep 1000-1999) scoort in het bijzonder bovengemiddeld op diverse innovatieprestaties: radicale innovatie (+7%), incrementele innovatie (+2%), en disruptieve innovatie (+10%). De regio’s Midden-Oost-Brabant en Twente/Achterhoek/Drenthe scoren eveneens boven het gemiddelde op de betreffende indicatoren, al is het verschil met het landelijk gemiddelde wat kleiner.

De volledige resultaten van dit onderzoek vindt u hier.