Nederland is te vaak het braafste jongetje van de klas, hoor je wel eens. Te braaf als het gaat om regels toe te passen die marktwerking moeten bevorderen. Te braaf als het gaat om milieumaatregelen. Daarmee ondermijnen we onze concurrentiepositie, heet het. Zou het werkelijk?

Zodra de veeziekte blauwtong vorige week bij enkele schapen in Zuid Limburg werd geconstateerd, heeft landbouwminister Cees Veerman (CDA) een algeheel export voor vee afgekondigd. Al het vee, niet alleen schapen maar ook koeien. En dat terwijl de Europese Unie helemaal niet om een exportverbod had verzocht. Nu ook weer, nu in Nederland een exportverbod op vee geldt vanwege de een paar schapen met blauwtong.

Is dat terecht? Niet volgens een critici, die Veerman verweten roomser te zijn dan de paus. Waarom moet Nederland zo nodig het braafste jongetje van de klas zijn? Want als Nederland z'n vee niet exporteert en andere landen, dan gaat dat ten koste van 'onze' concurrentiepositie.

Hun bezwaren doen denken aan die van de energiebedrijven tegen het plan van (toen nog) minister Brinkhorst om ze op te delen in bedrijven die het netwerk beheren en ondernemingen die de productie, handel en verkoop voor hun rekening nemen. Niet doen, zeiden ze, niet het braafste jongetje van de klas zijn. Waarom zo nodig de marktwerking bevorderen door de bedrijven te splitsen? Andere landen doen dat ook niet.

Die hebben inderdaad vaak heel andere doelstellingen dan Nederland. In Nederland gaan wij er van uit dat concurrentie goed is, dat dit leidt tot meer welvaart, een aangenamer leven en meer van dat moois. Een open economie is in onze ogen dus zo'n beetje de hemel op aarde. In veel andere landen streven functionarissen in economisch leidinggevende posities daarentegen naar economische macht. Waarom? Als garantie tegen de gevaren die hun land bedreigt, waarschijnlijk. Economische groei staat in dienst van nationale veiligheid. Dit leidt al gauw tot een protectionistische houding. Export is prima, maar de thuismarkt moet afgeschermd worden tegen buitenlandse concurrentie. Onze schapen mogen wel de grenzen over met hun blauwe tongen, die uit Nederland komen er niet in. En: Wij mogen wel buitenlandse ondernemingen overnemen, maar zij blijven met hun boerenklospoten van onze kroonjuwelen af.

Nederland werkt in de ogen van critici als braafste jongetje van de klas mee aan dit protectionisme: door gretig een exportverbod af te vaardigen voor ons vee als er ergens een schaap met een blauwe tong rondloopt en door een gevaarlijke poging te ondernemen om energiebedrijven op te splitsen in kleine brokjes, die onmogelijk kunnen concurreren met buitenlandse giganten. Met als gevolg: welvaartsverlies in Nederland, bedrijven die niet weten hoe snel ze hun hoofdkantoor naar het buitenland moeten verplaatsen en een 'brain drain' van jewelste.

Het klinkt allemaal heel plausibel. Het rare is alleen dat Nederland vooralsnog meer koopt in het buitenland dan verkoopt (met dan aan onze pensioenfondsen en hun fabelachtige vermogens). En dat veel bedrijven er niet over piekeren hun hoofdkantoor te verhuizen. En dat veel mensen in het buitenland een voorkeur hebben voor Nederlands schapenvlees, omdat ze zeker weten dat het niet besmet is.