In het kader van de behandeling van de code-Tabaksblat heeft Den Haag zich onlangs uitgelaten over de gevolgen die het implementeren van de code in de Nederlandse wetgeving zal hebben. Wat de fiscale behandeling van personeelsopties betreft zal dit leiden tot een verstrekkende wijziging.

Het toekennen van opties op aandelen aan bestuurders en personeel van een bedrijf wordt in Nederland beschouwd als het verkrijgen van (belastbaar) loon. Over het algemeen zal het immers de bedoeling zijn dat een verkregen optie op aandelen wordt uitgeoefend op het moment dat de uitoefenprijs van de optie lager is dan de waarde van de onderliggende aandelen. Op welk moment het verkregen voordeel wordt belast en op welke manier dit voordeel wordt berekend is al lange tijd aan veranderingen onderhevig. Met het kabinetsstandpunt van 1 maart jongstleden lijkt er (voorlopig?) een eind te zijn gekomen aan dit ontwikkelingsproces. Sinds 1 januari 2001 hebben de rechthebbenden op de opties op aandelen de keuze op welk moment deze opties zullen worden belast. Met deze keuze hangt samen op welke wijze het behaalde voordeel zal worden berekend. Volgens het regime dat al vanaf 1 januari 1998 van toepassing is, Regime 1, worden personeelsopties belast op het moment van toekenning (onvoorwaardelijke opties) of op het moment van onvoorwaardelijk worden (voorwaardelijke opties). Het voordeel wordt vervolgens gesteld op de intrinsieke waarde van de opties alsmede de verwachtingswaarde van de opties. Beide waarden worden berekend aan de hand van vrij complexe formules. Daarnaast vindt een additionele heffing van loon- en inkomstenbelasting plaats indien de opties binnen 3 jaar na de toekenning worden vervreemd of verkocht. Op dat moment wordt het voordeel gesteld op het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de waarde van de aandelen belast, voor zover dit voordeel in het verleden nog niet belast is. Voordeel? Deze wijze van heffing loopt internationaal geheel uit de pas, hetgeen in de praktijk grote problemen kan geven. Ook voor de gemiddelde Nederlandse werknemer kan deze wijze van belastingheffing onaangename gevolgen hebben, met name in het geval de koers van de onderliggende aandelen na het eerste heffingsmoment onderuit is gegaan en de optie derhalve waardeloos is: wel belasting betalen en uiteindelijk geen voordeel behalen. Om die reden hebben de rechthebbenden sinds 1 januari 2001 de keuze om belast te worden volgens Regime 2. Op grond van Regime 2 wordt het voordeel pas belast op het moment dat de optie wordt uitgeoefend of vervreemd. Het voordeel wordt dan gesteld op het verschil tussen de uitoefenprijs van de optie en de waarde van de onderliggende aandelen. Uit het kabinetsstandpunt blijkt inmiddels dat Den Haag een definitieve keuze heeft gemaakt tussen de beide regimes: Regime 2 zal nu echt voor iedereen gaan gelden. Het is de bedoeling dat de wijziging per 1 januari 2005 in werking zal treden. Eindelijk, zo zou men kunnen zeggen. Waarom het kabinet zo lang heeft moeten dralen om de belastingheffing over opties op aandelen duidelijk te krijgen is niet geheel duidelijk. De reden voor de wijziging is het blijkbaar plotselinge besef dat de bestuurders van vennootschappen vooral gebruikmaken van Regime 1 en dientengevolge het grootste deel van het voordeel dat zij behalen bij de uitoefening van hun opties onbelast opstrijken. Bijkomend voordeel, zo schetst het kabinet, is dat Regime 2 internationaal een breder draagvlak heeft. Dit zijn vanzelfsprekend steekhoudende argumenten. Ze zijn echter al zo oud als de weg naar Rome. Annemarie Bakker is belastingadviseur binnen de sectie Corporate & Transactions van CMS Derks Star Busmann, Utrecht