Innovatiebeleid kan tech-bedrijven niet bijbenen

Het ontbreekt Nederlandse beleidsmakers aan kennis over de manier waarop technologiebedrijven innoveren. Dat komt het innovatiebeleid niet ten goede.


Eerst was er de noodkreet van de VVD dat er teveel subsidie weg zou lekken naar adviesbureaus (FD, 2 februari). Vervolgens kwam het Centraal Planbureau met het advies voor strenger toezicht op bedrijven die subsidies ontvangen (BNR, 25 februari). Beide opmerkingen zijn kenmerkend voor de manier waarop er bij de overheid over innovatie wordt gedacht: volstrekt achterhaald.

Allereerst de liberalen. VVD-er Michiel van Veen baseerde zich op cijfers van het Ministerie van Economische Zaken waaruit zou blijken dat innovatieve ondernemers die zelf een aanvraag indienen evenveel kans hebben om subsidie toegekend te krijgen als bedrijven die gebruik maken van een extern bureau. Bovendien zouden de administratiekosten van zelfstandige aanvragers lager zijn. Minister Kamp (EZ) noemt tijdgebrek en gemakzucht als de belangrijkste verklaring voor het feit dat het zo’n 80 procent van de bedrijven toch gebruik maakt van een adviseur.
 
De analyse van de VVD rammelt aan alle kanten. De cijfers die EZ aandraagt geven namelijk een vertekend beeld van de werkelijkheid. Aangezien grote bedrijven subsidie adviseurs in dienst hebben is de slagingskans van deze aanvragen vergelijkbaar met bedrijven die een externe adviseur in de hand nemen. Daarnaast haken veel MKB-ers die zelf aan de gang gaan met hun aanvraag tijdens het complexe traject af. Deze niet-afgemaakte aanvragen komen niet terug in de cijfers. Ten slotte draait het niet alleen om de slaagkans van een subsidie aanvraag: goede adviseurs helpen bedrijven ook om de subsidie opbrengst te vergroten en de compliance risico’s terug te brengen.
 
Het gegoochel met cijfers verbloemt de echte problematiek: te complexe regelgeving en een gebrek aan kennis over innovatie anno 2016. Hoewel Kamp hier en daar wel verbeteringen heeft doorgevoerd, zoals het afschaffen van de Research en Development Aftrek (RDA), een bureaucratisch gedrocht, blijft het onoverzichtelijke en complexe woud van subsidies de voornaamste reden waarom innovatieve bedrijven een adviseur inschakelen.

Uit de meer dan 500 subsidieaanvragen die wij jaarlijks verzorgen voor innovatieve bedrijven, blijkt bovendien dat het proces er niet makkelijker op wordt. Alleen al in 2015 is het aantal ‘aanvullende vragen’ van uitvoeringsorganisatie RVO Nederland aan subsidieaanvragers verdrievoudigd. Aangezien ook de controles veel strenger worden, lijkt de noodzaak van een goede adviseur alleen maar toe te nemen.

Dan het Centraal Planbureau. Volgens CPB-onderzoeker Bas Straathof moet EZ juist nog strenger toezicht houden op bedrijven die innovatiesubsidie krijgen. Straathof stelt dat EZ met name moet kijken of octrooiaanvragen echt nieuw zijn – niet alleen voor de subsidieaanvrager, maar in het algemeen. 

Daarmee laat het CPB – net als ‘ondernemerspartij’ VVD – blijken weinig feeling te hebben met innovatief en ondernemend Nederland. Beiden hebben hun blik nog altijd gericht op een handjevol Nederlandse multinationals, maar daar komt de echte innovatie helemaal niet vandaan. Octrooien en patenten waren voor de oude industrie misschien heel belangrijk, voor nieuwe innovatieve technologiebedrijven, zoals CoolBlue, IPPZ en Screen6 zijn deze nauwelijks van belang. Ondertussen wordt het juist voor deze bedrijven – de nieuwe Bookings van Nederland – steeds lastiger om subsidie te krijgen.

Als Kamp ‘s lands innovatiebudget beter wil besteden, zou een goed informatief gesprek met de ICT-sector geen kwaad kunnen. Die sector is goed voor circa 40 procent van de WBSO-aanvragen en is van groot economisch belang voor de toekomst van Nederland – niet in de laatste plaats als banenmotor.
 
Sander Wolfensberger is founding partner van SUBtracers