De huidige belonings- en investeringsmentaliteit in Nederlands houdt overheid, ondernemingen en werknemers in een ijzeren greep: bezuinigingen zijn noodzakelijk en budgetten en vaste lasten liggen muurvast waardoor er geen ruimte is voor flexibiliteit. Men moet er voor zorgen dat een groter deel van de middelen vloeibaar blijven, waardoor deze gemakkelijker kunnen worden aangewend voor nieuwe initiatieven.


Dit stelt Loek Bosman van Hay Group. In onze diensteneconomie zijn loonkosten veruit de grootste kostenpost. Door het vaste salaris flexibeler te maken, kan een deel hiervan worden gealloceerd voor innovatie.

Dit kan allereerst door het salaris op te delen in drie bestanddelen:

1. Een basissalaris: de verbinding aan de onderneming. De basis waarop de werknemer zijn vaste lasten baseert, waardoor ook privé flexibiliteit wordt gecreëerd. Daarnaast is het ook een minimumticket om lid te zijn van de organisatie: als je dat niet kunt waarmaken in termen van economische waarde, dan is er geen basis meer om verder te gaan.

2. Functiebeloning: Hiermee wordt de zwaarte van de functie beloond. Functies kunnen over de jaren veranderen: portefeuilles worden groter en kleiner, meer en minder belangrijk en ingewikkeld. Deze bewegingen kunnen worden vertaald in verhoging of verlaging van de functiebeloning.

3. Beloning voor geleverde prestatie: Deze is echt variabel en moet elk jaar weer vanaf nul worden verdiend.

Met deze verdeling zijn twee van de drie beloningscomponenten flexibel. Deze flexibiliteit kan ook doorwerken in de pensioenlasten door de functiebeloning en prestatiebeloning niet onder te brengen in een collectieve pensioenregeling, maar via een vrijwillige beschikbare premieregeling de werknemer zelf de keus te geven of er pensioen over wordt opgebouwd of direct met de fiscus wordt afgerekend.

Kortom; wanneer het belonings- en investeringsbeleid niet flexibeler wordt, blijft de economie van Nederland stil staan.