Herziening omzetbelasting: ondernemers bepalen boekjaar

De Hoge Raad heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag hoe het begrip boekjaar moet worden uitgelegd voor de toepassing van de herzieningsregeling van omzetbelasting. Ondernemers bepalen het boekjaar als de zijnde periode waarover een onderneming financiële verslaglegging uitbrengt, zo luidt de conclusie van de Hoge Raad.

Dit meldt accountants- en adviesorganisatie Grant Thornton. In de onderhavige procedure voor de Hoge Raad had een boekjaarwijziging plaatsgevonden waarbij een Vof eind 2001 was overgestapt op een gebroken boekjaar en waarbij het eerste gebroken boekjaar een eenmalig langer boekjaar (22 maanden) was.

Kort na de boekjaarwijziging (april 2002) deed het zich voor de btw-herziening aanleiding gevende feit voor. Het betrof een belaste levering van een nieuwbouwkantoorpand binnen twee jaar na eerste ingebruikneming van dat pand. De Vof had het pand tot dan toe vrijgesteld verhuurd en had de integratieheffing op aangifte voldaan op moment van eerste ingebruikname.

De Vof meende het verlengde boekjaar en de daarop volgende negen boekjaren in aanmerking te kunnen nemen voor de herziening (in dit geval een teruggaaf) van de btw die op was aangifte voldaan. De inspecteur daarentegen ging uit van kalenderjaren en nam het kalenderjaar van levering en de daarop volgende acht kalenderjaren in aanmerking. Deze uitleg leidde tot een lager teruggaafbedrag aan herziene btw.


De Hoge Raad vond het begrip boekjaar een niet voor tweeërlei uitleg vatbaar begrip en definieerde het als de periode waarover een onderneming financiële verslaglegging uitbrengt.
Uitgangspunt is daarom het boekjaar zoals dit door de ondernemer wordt bepaald, ook indien dit niet samenvalt met een kalenderjaar of in een bepaald geval incidenteel op een kortere dan wel langere periode dan twaalf maanden is gesteld. De Hoge Raad stelde de Vof in het gelijk en deed de zaak zelf af.