Gevolgen Brexit negatiever voor grootbedrijf dan voor MKB

Recent heeft het Centraal Planbureau (CPB) berekeningen uitgevoerd naar de gevolgen van een Brexit voor de Nederlandse economie.

Daarbij zijn twee beleidsscenario’s onderzocht: de handelsrelaties tussen Engeland en de resterende EU worden gereguleerd door de algemene WTO regels (World Trade Organization, WTO-scenario), of er komt een vrijhandelsverdrag (Free Trade Agreement, FTA-scenario) tussen de EU en Engeland. Genoemde CPB-studie gaat in op de (negatieve) macro-economische en sectorale effecten, maar hoe pakt een Brexit uit voor het MKB?

Om daar een indruk van te krijgen heeft Panteia aanvullende berekeningen uitgevoerd met het PRISMA-model. Dat is een macro-sectoraal econometrisch model voor Nederland, waarin sectoren nader worden onder verdeeld in MKB en grootbedrijf. Dit model leent zich dus goed voor een analyse van de gevolgen van een Brexit voor het Nederlandse MKB.

Hoe pakt een Brexit uit voor het MKB?
De invloed van een Brexit op de Nederlandse economie loopt via het kanaal van de buitenlandse handel: uitvoer en invoer. In het WTO-scenario van CPB daalt de Nederlandse uitvoer door Brexit met ruim -3%; in het FTA scenario is de afname van de uitvoer bijna -2%. Daarmee correspondeert een afname van het BBP met -1,2% in het WTO-scenario, en -0,9% in het FTA scenario.

Volgens onze aanvullende berekeningen neemt de toegevoegde waarde in de marktsector (bedrijven exclusief delfstoffenwinning, onroerend goed en zorg) in het WTO scenario af met -1,7%. Dat is meer dan de BBP-afname die het CPB voor de hele economie voorspelt, omdat delfstoffenwinning, onroerend goed en de zorgsector nauwelijks worden beïnvloed door de afnemende buitenlandse handel. In het FTA-scenario berekenen we een afname van de toegevoegde waarde van -1,2% voor de marktsector.

Uitvoer is voor het grootbedrijf een belangrijkere afzetcategorie dan voor het MKB. Daar staat tegenover dat het MKB wel indirect afhankelijk is van uitvoer, namelijk via toelevering van goederen en diensten. Volgens deze redenering zou een gelijk effect van een Brexit op het MKB en grootbedrijf verwacht kunnen worden. Wat echter blijkt is dat het grootbedrijf sterker getroffen wordt door de afname van de uitvoer dan het MKB. Dat komt omdat het MKB beter in staat is om zijn kosten - en daarmee zijn prijsniveau - aan de gewijzigde marktomstandigheden aan te passen. Hierdoor is het verlies aan marktaandeel bescheiden. Door de geringere uitvoerdaling valt een Brexit voor het MKB minder ernstig uit dan voor het grootbedrijf. De toegevoegde waarde neemt zowel in het WTO- als het FTA scenario sterker af in het grootbedrijf dan in het MKB. De afname van de arbeidsproductiviteit is in het MKB minder sterk dan in het grootbedrijf (daarom de beperkte kostenstijging in het MKB).

Conclusie
De conclusie is dat een Brexit nadelig is voor de Nederlandse economie. Maar omdat het MKB zich beter aanpast aan de gewijzigde omstandigheden dan het grootbedrijf, vallen de gevolgen van een Brexit voor het MKB mee.