De afgelopen G20 in Pittsburgh zal niet iedereen wakker houden, maar zeker is dat er wereldwijd interessante machtsverschuivingen gaande zijn. De opkomst van het G20-overleg ter vervanging van de G8 gaat veel verder dan wat afspraken over bonussen van bankiers. Op naar een wereldregering?

Allereerst is het duidelijk dat de opkomende machten, met name China, India en Brazilië, zich niet langer de kaas van het brood zullen laten eten door de (nog) rijke westerse landen. Dat is de belangrijkste reden dat de G8 heeft moeten wijken voor de G20. Nog meer invloed heeft de wens van genoemde landen om een sterkere positie in grote organisaties als de VN, het IMF en de Wereldbank te krijgen. Westerse landen, waaronder Nederland, protesteren hiertegen, maar dat is onverstandig.

De realiteit is dat de nieuwe machten steeds meer mede de economische wereldorde gaan bepalen. De groeipercentages van die landen zullen West- Europa en de VS nooit meer halen. Je kunt dus op de achterkant van een sigarendoos uitrekenen wanneer deze landen de VS en Europa ingehaald zullen hebben. Als we dat toch weten, is het verstandiger om nu nieuwe afspraken met die landen te maken dan te volharden in de fictie dat dit een tijdelijk verschijnsel betreft.

Nederland, kortom, zal in deze organen moeten inbinden en zal genoegen moeten nemen met een positie die meer met de nieuwe verhoudingen in overeenstemming is. Maatstaven dienen daarbij te zijn enerzijds de bevolkingsomvang, maar anderzijds ook het BNP. Dankzij dat laatste punt kan Nederland overigens nog aardig meekomen.

De opkomende landen hebben de westerse wereld overigens wel degelijk nodig voor hun verdere ontwikkeling. Er moeten afspraken komen op tal van terreinen, zoals de financiële systemen en de positie van de banken, de stabiliteit en positie van de verschillende belangrijke valuta (euro, dollar, yen), problemen met migratie respectievelijk mensensmokkel, bevolkingsvraagstukken, drugsaanpak, terrorisme en zeeroverij, milieu- en klimaatbeheersing enzovoorts.

Al dit soort zaken kunnen niet meer opgelost worden in de huidige structuur van de diverse instituties. Die hebben voor een groot deel hun geloofwaardigheid verloren of zijn vastgelopen in bureaucratie. De oplossing is ook niet om dan maar terug te vallen op nationaal beleid en de boel de boel te laten (de Bush-aanpak). Dankzij Obama waart er een nieuwe geest van samenwerking rond.

Maar de vernieuwde G20 is nog niet ‘de’ oplossing van alle problemen. Het is nodig dat er een gestructureerd financieel overleg gaat komen, verbonden met de Bazel-akkoorden en de diverse centrale banken, zoiets als een F20 (Finance20). Een wereldwijde organisatie waarin de CFO’s (ministers van Financiën) van de grote landen met elkaar afspraken maken. Daarin zullen China, India en Brazilië naast de rijke westerse landen een eigen plaats moeten krijgen.

Zo is er ook behoefte aan een D20 (Defense20) ter vervanging of aanvulling van de NATO, waar de ministers van Defensie internationaal met elkaar bespreken hoe het terrorisme te bestrijden of de zeeroverij in Somalië op te lossen. Een L20 (Legal20) ter verbreding van het internationaal gerechtshof om tot goede afspraken te komen over tal van internationale juridische kwesties. En natuurlijk zal er een S20 (Sustainable20) moeten komen, een overleg waarin de afspraken die hopelijk eind van het jaar in Kopenhagen gaan worden gemaakt, politiek verankerd worden in een permanente structuur en waarbij er toezicht komt op de uitvoering.


KORTOM, OP NAAR EEN WERELDREGERING?

Wellicht ja, want dat er stappen in die richting nodig zijn, is zeker. We kunnen er wel lacherig over doen, maar is er een alternatief? Duidelijk is dat, als we de wereld aan politici met het pragmatische, nationale denkraam van een Bush, Chávez of Berlusconi overlaten, de problemen in de wereld alleen maar groter worden. We zullen actief moeten streven naar goed globaal overleg op tal van gebieden.

Er is enige hoop dat we met mensen als Obama in de VS, Singh in India, Lula in Brazilië en Hu Jintao in China voorzichtig stappen in de goede richting kunnen doen. De eerste stap is dat we in het Westen moeten leren de grote opkomende landen serieus te nemen. Het Westen zal moeten erkennen dat het op de genoemde terreinen niet meer op eigen houtje tot oplossingen kan komen. Dus zal er via de G20 ‘iets’ moeten komen van een gestructureerd overleg op de meest belangrijke gebieden met de opkomende landen. De laatste G20-top geeft enige hoop in de goede richting.