'Europese private equity-fondsen zitten in hun maag met derde portfolio'

Europese private equity-fondsen worstelen met ruim een derde van de bedrijven in hun portfolio. Ze hebben die ondernemingen al meer dan zeven jaar in portefeuille, wat de rendementen drukt. Sinds 2007 is de gemiddelde doorlooptijd van bedrijven verdubbeld, tot 4,6 jaar.

Tot die conclusie komt adviesbureau Roland Berger na bestudering van de portfolio’s van 2.671 Europese private equity-fondsen en 14.834 deals over de periode 1998-2015. In de analyse What is holding back returns of European private equity? constateert Roland Berger verder dat Nederlandse investeringsfondsen het slechter doen dan de internationale concurrentie.

Dankzij de recente groei van de Europese economie zijn de rendementen van de private equity-fondsen de laatste jaren gestabiliseerd, maar de niveau’s van voor 2008 halen ze niet meer. Over de periode 2003-2007 behaalden de fondsen een gemiddeld rendement van 25 procent. Van 2009 tot 2013 was dat 10 procent.

Doorlooptijd
Roland Berger analyseerde drie factoren die traditioneel van invloed zijn op het rendement van private equity: de waarderingen van bedrijven bij aan- en verkoop, het percentage geleend geld waarmee de fondsen hun investering financieren en de doorlooptijd van de bedrijven in de portfolio’s. Vooral de derde factor heeft momenteel invloed op het rendement van de investeringsfondsen. David van der Does, partner van Roland Berger in Amsterdam: ‘Over het algemeen geldt: hoe langer de doorlooptijd van een bedrijf in het portfolio, hoe lager het rendement. En bedrijven zitten steeds langer in de portfolio’s.’

De doorlooptijd van bedrijven in Europese investeringsfondsen is meer dan verdubbeld, van 1,8 jaar in 2007 tot 4,6 jaar in 2014. Nederlandse fondsen houden hun investeringen nog iets langer vast: 4,9 jaar. 34 procent van de bedrijven in de huidige Europese portfolio’s zijn meer dan zeven jaar geleden aangekocht. Ze vertegenwoordigen bovendien een onevenredig groot aandeel van het totale portfolio – meer dan 60 procent – omdat tussen 2005 en 2008 gemiddeld grotere deals werden gesloten dan in de jaren daarna.

Verlies
Arnoud van der Slot, partner van Roland Berger in Amsterdam: ‘Het kost de fondsen moeite die bedrijven te verkopen. Het zijn grote bedrijven, die duur zijn aangekocht en daarna is door de economische crisis de winst gedaald. Bovendien betreft het vaak ondernemingen in bedrijfstakken waar investeerders nu minder brood in zien. Toch doen de fondsen er goed aan die bedrijven snel van de hand te doen, desnoods met verlies.’ Dat gebeurt ook: in 2009 was van 11 procent van de verkochte bedrijven de doorlooptijd langer dan zeven jaar, in 2014 van 34 procent. Volgens Van der Slot valt te verwachten dat die trend doorzet. ‘Sommige fondsen zijn zelfs statutair verplicht te verkopen als bedrijven meer dan zeven jaar in hun portfolio zitten.’

Uit een enquête die Roland Berger onlangs hield onder 820 managers van private equity-fondsen, bleek ook dat ze willen focussen op desinvesteringen. Van der Slot: ‘De managers beseffen dat ze hun portfolio moeten opschonen, maar er is op dit ogenblik zo veel geld beschikbaar voor de fondsen, dat ze vooral druk zijn met investeren. Het is de vraag of ze wel toekomen aan verkopen.’

Rendement
Dat de Europese private equity-fondsen de laatste tijd weer beter presteren, komt onder meer doordat het verschil in EBIDTA-multiple bij aan- en verkoop van bedrijven weer toeneemt. Ook hier belast de erfenis van voor de crisis de rendementen, zegt Van der Does. ‘De bedrijven die al sinds de crisis in de portfolio’s zitten zijn voor gemiddeld 10,1 keer de EBITDA aangekocht. Dat drukt het rendement. Sinds 2009 is de aankoopprijs weer gezakt tot 9,8 keer de EBITDA.’

Het percentage schuld waarmee de fondsen hun investeringen financieren, is na een dieptepunt in 2009 (43 procent) weer toegenomen naar 57 procent in 2014. Dat heeft een positief effect op de rendementen van de private equity-fondsen. Nu de rente lager staat dan voor de crisis, is financiering met schuld zelfs extra gunstig.