Als voorzitter van de stichting LRGD was ik op 1 november 2007 te Leiden om het symposium Schade en Expertise bij te wonen. Tijdens het symposium werd duidelijk dat het bij het benoemen van deskundigen flink mis kan gaan. Het onderwerp de berekening van vermogensschade werd behandeld door de hoogleraar schadeonderzoek J. Joling.

Ik heb geen reden om te twijfelen aan zijn deskundigheid om schade te onderzoeken. De zaal leek niet bij voorbaat uit te gaan van de vaststelling dat dat tevens leidt tot deskundigheid op het terrein van waardebepaling. De heer Joling lijkt zich daar bij voorkeur te bedienen van het boekhoudkundig winstbegrip, gezien zijn achtergrond als registeraccountant niet zo vreemd.

Wel vreemd is dat de economische benadering vrijwel geheel buiten beeld bleef. De in Leiden aanwezige waarderingsdeskundigen luisterden dan ook ontzet toe. Boekhouders zijn niet alleen nominalistische geschiedschrijvers, zij bedienen zich ook van conventies die het zicht op de geldstromen van de onderneming bemoeilijken.

De uitdrukking ‘winst is een opinie, maar geld is een feit’ heeft niet voor niets clichéstatus gekregen. De mens handelt om zijn positie en situatie te verbeteren, zich van meer en/of betere goederen en diensten te voorzien en daar is geld voor nodig.


DUBIEUS
Winst heeft geen koopkracht. Bij het vaststellen van vermogensschade zou het moeten gaan om de contante waarde van de gemiste vrije geldstromen en niet om de gederfde verwachte winst. Ook de bij juristen veel voorkomende neiging om uit te gaan van een min of meer ex post-benadering (gebeurtenissen van na het schademoment meenemen in de beoordeling) bij het vaststellen van de schade is economisch gezien dubieus.

Stel dat een auto met een verwachte inruilprijs van 100.000 euro volledig wordt vernield. Enkele dagen later wordt er als complete verrassing een wet ingevoerd waarbij de genoemde prijs wordt gehalveerd. Dan is het duidelijk dat de schade moet worden vastgesteld op het eerdergenoemde bedrag.

Vlak voor het ontstaan van de schade had de auto voor dat bedrag kunnen worden verkocht. Of dat daadwerkelijk is gebeurd, is natuurlijk niet van belang voor het vaststellen van de schade. Door Joling werd een voorbeeld gepresenteerd over het moment van schadebepaling: ex ante of ex post. “Wat is de waarde van een gestolen lot van 100 euro waarop de hoofdprijs valt van één miljoen euro?

De verwachte waarde (gebaseerd op de kans op de hoofdprijs) bedraagt op het moment van stelen bijvoorbeeld 4 euro; de loten worden op het moment van stelen verkocht voor 100 euro. Na de trekking bedraagt de waarde van het lot één miljoen euro.” Een duidelijke uitspraak bleef echter achterwege.

Het antwoord ligt economisch gezien voor de hand. Als de trekking nog niet heeft plaatsgevonden, kan een nieuw lot, met een identieke kans, worden gekocht voor 100 euro. Dat is ook de schade; afgezien van de gevoelsmatige betrokkenheid bij een bepaald nummer en de transactiekosten. De koper waardeert het lot, de spanning van het spelen, op ten minste 100 euro.

De statistische waarde van 4 euro is economisch niet relevant, omdat deze slechts betrekking heeft op de totale uitslag en niet op de kans van een individueel lot. Als de uitslag bekend is, heeft het winnende lot een waarde van één miljoen euro. Op elk moment geldt derhalve dat de waarde wordt weergegeven door de verwachte opbrengst die op dat moment, door de eigenaar, aan het lot kan worden toegekend.

Prijs is niet gelijk aan waarde en waarde is afhankelijk van de positie en situatie van de eigenaar. Zakendoen is geen loterij, maar toch is de metafoor bruikbaar. Het gaat om de waarde van verwachte opbrengsten. Dat ligt bij uitstek op het terrein van een waarderingsdeskundige.


Jan Vis is directeur bij Talanton Corporate Finance BV te Puttershoek en als adjunct-professor Business Valuation en Value Based Management verbonden aan de Rotterdam School of Management van de Erasmus Universiteit. Deze column geeft de persoonlijke mening van de auteur weer.