Er is de laatste tijd veel te doen rond de positie van commissarissen. Dit hangt mede samen met een aantal deconfitures waaronder die van Van der Moolen, Van der Hoop en Econcern.

Naar aanleiding van de ondergang van DSB zal hoogstwaarschijnlijk opnieuw de vraag aan de orde komen in hoeverre de commissarissen zich wel voldoende van hun toezichthoudende taak hebben gekweten. Ook de rol van commissarissen bij de overname van ABN AMRO heeft de nodige vraagtekens over de (tijdige) betrokkenheid van commissarissen opgeleverd.

Het is interessant te bezien in hoeverre de wet- en regelgeving al (gedeeltelijk) is aangepast op grond van deze ontwikkelingen. De invloed van de ABN AMRO zaak is duidelijk merkbaar in de op basis van het rapport van de Commissie Frijns aangepaste corporate governance code (Code).

In de Code is thans bepaald dat de RvC tijdig en nauw betrokken moet worden bij het overnameproces. Achtergrond van deze bepaling is het spanningsveld tussen aandeelhouders die in beginsel hun eigen belang mogen nastreven en de RvC die alle relevante belangen moet wegen.

De preambule bij de Code zegt daarover dat een bijzondere betrokkenheid van de RvC vereist is om er op toe te zien dat in overnamesituaties niet bepaalde deelbelangen de overhand krijgen. De Code bepaalt ook dat de RvB een verzoek tot inzage in de gegevens van de vennootschap van een concurrerende bieder onverwijld met de RvC moet bespreken.

Bij de totstandkoming van deze bepalingen speelt wellicht ook een rol dat de RvB mogelijkerwijs eigen belangen zou kunnen laten prevaleren boven de andere deelbelangen, ook al wordt dat in de preambule niet uitdrukkelijk vermeld.

De bepaling in de Code dat de RvC erop toe moet zien dat deelbelangen niet prevaleren, is op zichzelf in lijn met de in de wet vastgelegde norm dat de RvC zich bij de vervulling van zijn taak naar het belang van de vennootschap moet richten.

Toch is hier wel sprake van een zekere uitbreiding van de taken van de RvC in die zin dat de RvC wordt geacht zich veel intensiever met een overnameproces bezig te houden dan voorheen het geval was. Ook uit andere bepalingen van de (oorspronkelijke) Code blijkt dat commissarissen meer taken toebedeeld krijgen dan voordien.

Dat de taken van de RvC steeds meer omvatten, blijkt ook uit een tweetal uitspraken van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam (OK). In de Stork zaak bepaalde de OK dat ingeval van een geschil tussen de aandeelhouders en het bestuur een bijzondere en met name bemiddelende rol aan de RvC moet worden toebedacht.

In de ASMI zaak overweegt de OK dat de RvC zijn verantwoordelijkheid niet heeft genomen met betrekking tot het creëren van transparantie jegens externe aandeelhouders en is tekort geschoten in zijn bemiddelende rol.

Dat de regelgeving over de taken van commissarissen uitgebreider wordt, is wel duidelijk uit vorenstaande. Niettemin, zo blijkt uit een zeer recent onderzoek van Eumedion, de institutionele beleggersvereniging, schort het nog steeds aan een onafhankelijke opstelling van de commissaris ten opzichte van bestuurders. Er staat de commissarissen dus nog het nodige te wachten.