Voor de vaststelling van de debt to equity-ratio van een concern telt het aandeel van derden-aandeelhouders niet mee. Dit besliste de Rechtbank Arnhem onlangs. De situatie was als volgt...

B is met andere vennootschappen in een groep verbonden. Aan het hoofd van de groep staat A, die alle aandelen in B heeft. A heeft ook enige participaties in vennootschappen, waarvan zij niet 100 procent van de aandelen bezit.

B heeft een schuld aan A. De inspecteur vindt dat het aandeel van derdenaandeelhouders tot het eigen vermogen van de groep behoort. Daarom heeft B in vergelijking met de groep te veel aan vreemd vermogen. De rente op de groepslening is hierdoor niet aftrekbaar.

Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer is over de concernratio opgemerkt dat bij de concerntoets het belang van derden-aandeelhouders in het eigen vermogen betrekt. Maar op grond van de wettekst en met name de woorden ‘eigen vermogen’, is het aandeel van derden-aandeelhouders juist niet in aanmerking genomen.

Uit de behandeling van de wettekst in de Eerste Kamer leidt de rechtbank af dat de discrepantie tussen de letterlijke tekst en de strekking van de bepaling wel is opgemerkt, maar het gebrek niet gerepareerd. De rechtbank heeft niet de intentie een discrepantie tussen de letterlijke tekst en de interpretatie ervan ten nadele van de belastingplichtige uit te leggen.

De wetgever had de woorden eigen vermogen namelijk makkelijk kunnen vervangen door het woord groepsvermogen. Net als in een arrest van de Hoge Raad uit 1996 waarin de grammaticale en wetshistorische interpretatie op gespannen voet stonden, geeft de rechtbank hier voorrang aan de grammaticale interpretatie van de wettekst.

In het algemeen moet, met het oog op rechtszekerheid, bij duidelijke bewoordingen de grammaticale uitleg voorrang krijgen. Dit geldt vooral als de wetgever de discrepantie heeft opgemerkt, maar heeft nagelaten de wettekst aan de bedoeling aan te passen.

In twee gevallen is echter ruimte om naar de bedoeling van de wetgever te kijken. Ten eerste als de woorden van de wet niet duidelijk zijn en ten tweede als de woorden iets impliceren waarbij de vraag opkomt of de wetgever dit wel heeft beoogd. Tegen de beslissing is overigens hoger beroep aangetekend.

Bron: Tijdschrift Financieel Management: Tax Update ism Deloitte