Collectief ontslag via kantonrechter alleen in bijzondere situaties

Een werkgever kan de werking van de regels niet simpelweg ontlopen door een andere ontslagroute te kiezen

Het passeren van de ondernemingsraad (OR) en de vakorganisaties door een collectief ontslag via de kantonrechter te willen bewerkstelligen, is gedoemd te mislukken. Dit werd eind april nogmaals bevestigd door de kantonrechter Lelystad die 46 ontbindingsverzoeken afwees. De kantonrechter is mijns inziens terecht van mening dat slechts in bijzondere omstandigheden aan een dergelijke opzet door een kantonrechter dient te worden meegewerkt.


Nu het economisch flink tegenzit, proberen werkgevers noodgedwongen kosten te besparen door een reorganisatie door te voeren. De wet- en regelgeving op dit vlak is uiterst gecompliceerd, maar het komt er op neer dat in de meeste gevallen zowel de OR als de vakorganisaties tijdig moeten worden geraadpleegd.

De OR dient tijdig om advies te worden gevraagd en met de vakorganisaties dient te worden overlegd over een mogelijk sociaal plan. Daarnaast moet een werkgever de noodzaak van de reorganisatie goed kunnen motiveren en zich aan bepaalde (selectie)regels houden, het zogeheten afspiegelingsbeginsel. Deze regels zijn onder meer neergelegd in de Wet melding collectief ontslag en het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen en onderliggende regelingen.

In principe gelden deze regels in de situatie waarin de werkgever ontslagtoestemming bij het UWV Werkbedrijf verzoekt. Deen, een bedrijf dat polyesterproducten maakt, probeerde de regels te ontwijken door een andere ontslagroute te volgen. In plaats van toestemming bij het UWV Werkbedrijf te verzoeken verzocht Deen de kantonrechter te Lelystad om de arbeidsovereenkomst met ongeveer de helft van het totale aantal werknemers te ontbinden.

De kantonrechter wijst de ontbindingsverzoeken van Deen echter rücksichtslos af omdat de regels niet zijn gevolgd. De kantonrechter is weliswaar van mening dat de regels niet direct van toepassing zijn in een ontbindingsprocedure, maar oordeelt dat daaraan wel reflexwerking toekomt. Dit betekent dat een werkgever de werking van de regels niet simpelweg kan ontlopen door een andere ontslagroute te kiezen.

De kantonrechter dient in de ontbindingsprocedure na te gaan of de in de regels neergelegde waarborgen door de werkgever in acht zijn genomen. Dit is volgens de kantonrechter niet gebeurd. De ondernemingsraad is niet tijdig om advies verzocht en reëel overleg met vakorganisaties heeft evenmin plaatsgevonden.

Tevens was de kantonrechter van mening dat de werkgever slechts beperkte informatie had verstrekt waardoor de reorganisatie volstrekt onvoldoende was onderbouwd. Tot slot — alsof dat nog niet voldoende was — heeft Deen het afspiegelingsbeginsel niet toegepast.

Gevolg is dat Deen onnodig veel tijd heeft verloren. Deen had kunnen begrijpen dat kantonrechters alleen in zeer bijzondere omstandigheden meewerken aan een dergelijke opzet. Zeker nu Deen alle regels aan zijn laars heeft gelapt en zijn positie onvoldoende heeft gemotiveerd ben ik met de rechter van mening dat de verzochte ontbindingen terecht zijn afgewezen, ook als dit het mogelijke faillissement van de onderneming zou betekenen.

Deen had de tijd die zij thans heeft verloren beter kunnen inzetten om met de ondernemingsraad en de vakorganisaties om de tafel te gaan zitten om daarna alsnog de kantonrechter om ontbinding te verzoeken. In dat geval had Deen de reorganisatie veel sneller en zorgvuldiger kunnen doorvoeren dan dat zij dat nu heeft gedaan.

 

Floor Damen is partner bij Lexence en werkzaam in het Team Arbeidsrecht