Dit was het onderwerp van de presentatie van BNG Bank, vorige week op het Public Finance congres van Binnenlands Bestuur in Utrecht.

Het alarmerende IPCC-rapport over de snelle opwarming van de aarde maakt de overstap van aardgas naar fossielvrije alternatieven een topprioriteit. Eén van de oplossingen is het realiseren van een duurzaam warmtenet. Hiervoor zijn forse investeringen noodzakelijk. Maar alleen als het lukt om te komen tot een betaalbare transitie voor de burger tegen de laagste kosten voor de samenleving, gaat het lukken deze warmtetransitie te realiseren. Hoe hiernaartoe te werken, daarover vertelde Caspar Boendermaker van BNG Bank vorige week op het Public Finance congres in De Fabrique in Utrecht.

Kiezen en balanceren
BNG Bank is de bank van en voor de publieke sector en richt zich – samen met haar klanten – op het oplossen van maatschappelijke problemen zoals de warmtetransitie. Volgens   Boendermaker is de warmtetransitie een balanceer-act waarin allerlei factoren en stakeholders continu worden gewogen: de korte en de lange termijn, elektriciteit en warmte, bronnen en afnemer, keuzevrijheid, efficiency en schaal, publieke regie en marktprikkels, rendement en betaalbaarheid. Zijn presentatie wordt ingeleid met enkele cijfers uit het boek Energie in Nederland. Zo gaat veruit het meeste energieverbruik in ons land naar de industrie, de bebouwde omgeving en mobiliteit – en zijn aardgas en andere fossiele brandstoffen, aardolie, kolen de voornaamste bronnen. Het stukje hernieuwbare energie (8%) bestaat voornamelijk uit biomassa – het bijstoken van hout in energiecentrales of het verbranden van afval.
We zijn volgens Boendermaker bezig met een duurzame inhaalslag in Nederland. Zo hebben wij in 2020 de meeste windmolens geplaatst van Europa. Ook waren wij in datzelfde jaar Europa’s tweede als het aankwam op het plaatsen van zonnepanelen - best knap omdat we toch een van de kleinste en meest dichtbevolkte landen zijn. Wat we wel zien in de regionale energiestrategieën is dat er vier keer zoveel projecten zijn rondom zonne-energie dan rondom windenergie – een verhouding die eigenlijk andersom zou moeten zijn. Zonnepanelen leveren in Nederland maar 1000 uur per jaar. Windmolens 5000 uur per jaar. Dus voor de spreiding van duurzame energie over ons hele netwerk kunnen we hier beter focussen op wind. Toch zijn we er nog lang niet. Netbeheerders luiden de noodklok dat we gigantisch moeten gaan investeren in elektriciteitsnetwerk – 100 miljard euro – als we van het gas af willen. De RES-regio’s hebben ook nog eens moeite om hun plek te vinden voor alle zonnevelden, zonnedaken en windmolens. Daar komt bij dat we in Nederland een groot tekort hebben aan handjes. Want wie moet alles gaan uitvoeren voor 2050?

Warmtenetten
Binnen de woningbouw zie je dat 75% van de energiebehoefte bestaat uit warmte. Warmtenetten kunnen er voor zorgen dat we die niet allemaal hoeven te verwarmen met behulp van hernieuwbare elektriciteit. Het is heel kostenefficiënt, vooral in gebouwd gebied met veel gestapelde woningen. In landen als Denemarken worden de warmtenetten veelal gefinancierd door gemeentes of lokale gemeenschappen die daarbij worden gefaciliteerd door gemeentes. De levering van de warmte is meestal privaat door, al dan niet lokale, fabrieken.
Klinkt simpel – is het niet, aldus  Boendermaker. Er blijken verschillende soorten warmte te zijn zoals restwarmte uit industrie (vaak wel 300 graden Celsius), laagtemperatuur - restwarmte uit datacenters (40 graden Celsius), warmte uit energiecentrales op basis van afval of fossiele brandstoffen – maar ook geothermie (warmte van > 70 graden vanuit 2 km onder de grond).

Tegelijk zijn er verschillende groepen vragers: grote professionele partijen in de industrie en tuinders. Die betalen minder (5 tot 10 euro per gigajoule). En natuurlijk heleboel consumenten in de bebouwde omgeving waar warmtebedrijven tot wel 28 euro vragen per gigajoule. Dat verschil zit hem niet alleen in belasting, maar ook in extra kosten die moeten worden gemaakt voor transport, distributie en levering aan kleine afnemers zoals huishoudens. De afstand tussen aanbieders en vragers speelt ook een grote rol in de uiteindelijke warmteprijs. In Nederland zijn er op dit moment vijf grote partijen die warmte leveren: Vattenfall (voorgeen NUON, Ennatuurlijk (voormalig Essent Warmte) en Eneco – voormalige netbeheerders die geprivatiseerd zijn. Dan heb je nog publieke bedrijven als HVC in de Drechtsteden en regio Alkmaar, Stadsverwarming Purmerend en WarmteStad Groningen.
Het aantal aansluitingen groeit wel, maar te traag vanwege diverse obstakels. Dat is zonde volgens Boendermaker, omdat warmtenetten een kostenefficiënt alternatief zijn voor gas. In Groningen werkt men nu plannen uit om de industrie te verduurzamen met groene energie uit waterstof. Waterstof is zo hoogwaardig en krachtig (moeilijk te maken en duur) dat het eigenlijk beter geschikt is voor de industrie. Maar als we de groene restwarme uit de industrie gebruiken als input voor het warmtenet, gebruiken we de groene energie dubbel.

Startmotorkader
BNG is op dit moment betrokken bij diverse projecten in het kader van het programma aardgasvrije wijken. Gemeenten zijn druk aan het experimenteren met warmtenetten. Relatief veel vormen van aquathermie, maar ook veel met restwarmte. De corporaties worden gestimuleerd met subsidies vanuit het Startmotorkader.
In het Klimaatakkoord is afgesproken dat gemeenten de regie krijgen over deze transitie in de zogenoemde wijkgerichte aanpak die vanaf 2022 vorm zal krijgen. Vooruitlopend op de wijkgerichte aanpak in het Klimaatakkoord hebben Aedes, VNG, IVBN, Vastgoed Belang, Bouwend Nederland, Techniek Nederland, Netbeheer Nederland, Energie Nederland en de warmtebedrijven afgesproken om zo snel mogelijk bestaande woningen te verduurzamen via de Startmotor huursector. Deze partijen hebben met elkaar de ambitie om tot en met 2022 minimaal 100.000 woningen in de bestaande bouw aardgasvrij(-ready) te maken. Dat kan door aansluiting op warmtenetten of met (hybride) warmtepompen. In het Klimaatakkoord heeft Aedes de opdracht gekregen om de matchmaking rondom warmtenetaansluitingen te coördineren.
Corporaties spelen een belangrijke schakelrol omdat ze relatief veel aansluitingen kunnen garanderen. Met een fictief rekenvoorbeeld laat Boendermaker zien dat een bezettingsgraad van tussen de 50 en 100% ongelofelijk belangrijk is voor het verdienpotentie van je warmtenet. Voor wijken zonder corporatiebezit kijkt iedereen naar Den Haag om subsidieregelingen om de aansluitkosten voor particulieren te bekostigen.

Complicerende factoren
Ondanks alle potentie ziet Boendermaker het aanleggen van warmtenetten in woonwijken met dichte bebouwing wel als laaghangend fruit. Er zijn nu goede stimuleringsregelingen voor huurwoningen en vaak wordt er gekozen voor regio’s waar al een warmtenet ligt. Maar hoe voorkomen we dat we blijven steken bij de korte termijn en het uitrollen van grotere netwerken uitblijft?
Ook het publiek in de zaal heeft een vraag: waarom is het zo lastig om bij de 100% bezettingsgraad te komen? Het antwoord: aardgas is heel goedkoop nu. En de bijdrage aansluitkosten die bewoners of corporaties moeten betalen om te worden aangesloten op een warmtenet is hoog. Daarbij komt, het warmtenet is aangesloten tot voordeur. En de warmteleiding moet dan nog naar binnen en aangesloten worden op de CV-ketel of het warmtesysteem (soms via de regenpijp). Wie betaalt dat? Wat ook meespeelt: er is geen dwang, dus veel mensen kiezen voor wachten. Boendermaker pleit voor het investeren van rendement dat wordt verdiend in ‘gemakkelijke wijken’ in lastigere businesscases. Sommige corporaties doen dat al door vanuit hun lopende warmtenetprojecten ook contact te zoeken met wijken met alleen maar koopwoningen en coöperaties van bewoners.
Complicerende factor is ook dat verschillende soorten stakeholders van warmtenetten verschillende rendementseisen hanteren. Boendermaker laat verschillende rendementseisen zien van publieke warmtebedrijven eigendom van een gemeenten, publieke warmtebedrijven in eigendom van meerdere gemeenten (HVC), private warmtebedrijven, netwerkpartijen. Sommige rendementseisen zoals die van netbeheerders van gas en elektriciteit (3,6%) zijn hoog en sterk gereguleerd door de wetgeving. Rendementseisen bepalen voor een groot deel de omvang van de onrendabele top en dus ook de subsidie die nodig is. Lagere eisen betekent ook, meer zekerheid en betaalbaardere uitrol van warmtenetten.

Warmtebeheerbedrijven
Overal waar de discussie gaat over het financieren van warmtenetten, draait het om de ‘onrendabele top’ en de bijdrage aansluitkosten die vooraf moet worden betaald door particulieren of de woningcorporaties. Ook is er veel onzekerheid over subsidies die je kunt krijgen voor je bijdrage aansluitkosten – die krijg je namelijk pas achteraf, terwijl je de investering nu al moet doen. Ook is het overal de vraag: met wie ga je samenwerken? Ga je in zee met een monopolist? En welke procedure moet je volgen, mag je alleen kwantitatieve criteria laten wegen, of ook kwalitatieve? Ook is er vaak wantrouwen bij bewoners die denken dat een warmtenet uiteindelijk duurder gaat zijn dan een andere oplossing. Wat wordt de bezettingsgraad van je warmtenet? De diameter van je buizen hangt daar vanaf. Wat doe je met industriële warmteleveranciers als die straks wegvallen? 
BNG Bank ziet veel projecten die alleen tot stand komen als gemeenten een subsidie krijgen vanuit de pot voor Aardgasvrije Wijken. Samen met INVEST.NL (en AKD) heeft BNG Bank daarom een visie geschreven om publiek-private regionale warmtebeheerbedrijven op te zetten die ook eigenaar worden van de warmtenet-infrastructuur. Doel: financiering gemakkelijker maken, maar ook kennis en expertise per regio bundelen, zodat kleinere gemeentes ook mee kunnen doen. Waar zit de vraag, waar zit het aanbod? Is een warmtenet hier wel de meest efficiënte oplossing? Private bedrijven zouden ook betrokken kunnen worden in regionale warmtebeheerbedrijven, zodat ze kennis en mensen kunnen aanleveren. Via concessies kunnen ze dan voor een paar jaar een warmtenet exploiteren, zodat je geen monopolisten krijgt.

Nationale garantieregeling
Boendermaker pleit daarnaast voor een Nationale Garantieregeling vanuit Den Haag in plaats van de lappendeken van losse subsidies. Hierbij kunnen gemeentes, per regio, een premie betalen om de bulk aan investeringskosten af te dekken. Veel gemeenten maken nu al plannen voor concessies, zoals in Den Haag en Katwijk. De vraag wie dan eigenaar wordt van het net, is dan wel belangrijk. Provincies werken soms ook mee, zoals in Limburg (mijnwater) en Gelderland. 
Aansluitsubsidies voor woningen kunnen op dit moment alleen achteraf worden aangevraagd door particulieren – dat moet anders. En sommige subsidies gaan nu ook naar warmtenetten met zo’n hoge bezettingsgraad dat ze eigenlijk gewoon rendabel zijn zonder extra geld. Ook dat zou beter kunnen worden ingeregeld volgens Boendermaker.
De zaal is enthousiast, maar ziet ook struikelblokken. Op papier klinken de plannen prima, maar binnen de huidige Warmtewet zoals hij er nu ligt zijn gemeentes nu zelf verantwoordelijk voor de uitrol. Hoe ziet Boendermaker het voor zich dat verschillende gemeenten onderling afspraken gaan maken over een regionaal warmtebeheerbedrijf? Boendermaker pleit ervoor om regionale warmtebeheerbedrijven op iets meer afstand te zetten van de gemeenten, die voor een bepaald deel aandeelhouder worden. Het gaat vooral om een bundeling van kennis en expertise. En als er in Den Haag opeens regels worden veranderd, dan sta je als regio toch net iets sterker dan als individuele gemeente. De concrete uitwerking – welk aandeel wie precies moet nemen, hoe groot de regio’s worden? – daar moeten gemeenten en provincies, Den Haag, de VNG en andere aandeelhouders hun eigen invulling aan geven. Een studie van InvestNL in de RES-regio Rotterdam – Den Haag laat in ieder geval wel duidelijk zien dat samenwerking de meest betaalbare transformatie oplevert.

Verder kijken dan papieren werkelijkheid
Vanuit het publiek wordt gesuggereerd dat het ook slim zou kunnen zijn om aansluiting te zoeken bij andere bestaande regionale samenwerkingen. Er wordt al zoveel samen opgetrokken door gemeenten. Boendermaker vertelt dat er vanuit de VNG al een tijdje wordt gepleit voor het bundelen van het hele energie systeem. Nu zitten elektriciteit en gas bij de netbeheerders, Warmte zit bij alles en iedereen. Ideaal zou het zijn volgens de VNG als alle drie de infrastructuren in één hand zitten. Maar Europese wetgeving verbiedt dat. Die stelt zelfs dat netbeheerders geen rol mogen spelen in de warmtemarkt. Het regionale warmtebeheerbedrijf zou volgens Boendermaker hier een oplossing kunnen zijn – als centrale samenwerkingspartner voor de andere netbeheerders. Wellicht zou deze structuur kunnen helpen om door de impasse heen te komen die nu is ontstaan rondom de Warmtewet. De minister van EZK heeft het wetsvoorstel namelijk ingetrokken en een fase van politieke heroverweging aangekondigd (in een brief aan de Tweede Kamer in juni 2021).
Volgens iemand uit de zaal die betrokken is bij een aardwarmteproject is er wel haast geboden. Hoe meer private partijen investeren in hun eigen warmte infrastructuur hoe moeilijker zij hun eigen infrastructuur zullen opgeven. Ook klinkt uit de zaal de roep om toch ook te blijven kijken naar de echte wereld. In theorie klinkt samenwerken en warmtenetten misschien als een ideale oplossing, maar de werkelijkheid is dat samenwerkingsverbanden, zeker als het gaat om ruimtelijke vraagstukken, vaak te maken krijgen met procedures en dat de procedurekosten dan voor lokale partijen zijn. Dat levert in de praktijk veel stroperigheid en verzuring op over de vraag die deze kosten dan moet betalen. Dus het goed inregelen van die juridische en financiele randvoorwaarden is belangrijk om niet te vertragen bij weerstand. Boendermakers sluit af en bedankt het aanwezige publiek voor de betrokkenheid en alle input rondom praktische barrières. Ook roept gemeenten op om samen met de BNG Bank mee te denken aan verdere invulling van het idee van Regionale Warmtebeheerbedrijven.