Beheer van veel pensioenfondsen toch btw-vrijgesteld

In de zaak ATP PensionService (hierna: ATP) heeft het Hof van Justitie op 13 maart 2014 een zeer belangrijke uitspraak gedaan. In deze uitspraak merkt het Hof van Justitie een pensioenfonds aan als een gemeenschappelijk beleggingsfonds.

Omdat beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds btw-vrijgesteld is, kunnen veel uitbestede diensten vrijgesteld aan het pensioenfonds gefactureerd worden. Dit is een grote doorbraak. De uitspraak biedt veel nieuwe aanknopingspunten voor het toepassen van een btw-vrijstelling op door pensioenfondsen, pensioenuitvoeringsorganisaties en door anderen uitbestede diensten.

Achtergrond
ATP is een Deense onderneming die verschillende diensten verleent aan Deense pensioenfondsen die een defined-contributionregeling uitvoeren. In een zogenoemde DC-regeling betalen werknemers een vaste premie, maar staat de pensioenuitkering niet op voorhand vast. De diensten van ATP zijn te verdelen in drie hoofddiensten: 
1) pensioenadministratie
2) diensten in verband met de betalingen van de uitkeringen uit de pensioenregeling en 
3) systeemonderhoud. 

Pensioenuitvoeringsorganisaties in Nederland verlenen soortgelijke diensten aan Nederlandse pensioenfondsen. De vraag in de procedure is of de diensten van ATP zijn vrijgesteld. Dit is (onder andere) het geval als de diensten te karakteriseren zijn als beheer van een gemeenschappelijk beleggingsfonds. Vorig jaar vond het Hof van Justitie nog dat een Brits pensioenfonds met een defined-benefitregeling geen gemeenschappelijk beleggingsfonds was (zaak Wheels).

Arrest van het Hof van Justitie
De doorbraak in de zaak ATP is dat het Hof van Justitie pensioenfondsen die een DC-regeling uitvoeren, wél aanmerkt als gemeenschappelijke beleggingsfondsen. De volgende factoren spelen daarbij een rol:
- de pensioenfondsen worden gefinancierd door de toekomstige pensioengerechtigden;
- het spaargeld wordt belegd volgens het principe van risicospreiding; en
- het beleggingsrisico wordt gedragen door de (toekomstige) pensioengerechtigden.

Volgens het Hof van Justitie maakt het verder niet uit dat de pensioenregeling een ondergeschikt verzekeringselement bevat. Aan de verwijzende rechter laat het Hof van Justitie verder over of de diensten van ATP het karakter van beheer hebben. Gelet op de aanwijzingen die het Hof daaromtrent meegeeft, lijkt dat wel waarschijnlijk.

Gevolgen
De uitspraak in de zaak ATP opent nieuwe perspectieven voor het vrijstellen van diensten die Nederlandse pensioenfondsen afnemen van onder meer pensioenuitvoeringsorganisaties en vermogensbeheerders. Dit geldt in het bijzonder voor uitbestede diensten van pensioenfondsen die een DC- of CDC-regeling uitvoeren. Niet uitgesloten is echter dat het arrest in de zaak ATP ook voordelen oplevert voor fondsen die een DB-regeling uitvoeren. De kortingen die de afgelopen tijd bij menig DB-regeling zijn doorgevoerd, duiden er immers op dat ook deelnemers in dergelijke regelingen beleggingsrisico dragen.

Behalve dat deze uitspraak grote gevolgen kan hebben voor pensioenfondsen, verzekeraars, pensioenuitvoeringsorganisaties, vermogensbeheerders en andere partijen die diensten verrichten in verband met pensioenuitvoering, heeft de uitspraak ook grote gevolgen voor de Staat. 

In het pensioenakkoord is afgesproken dat pensioenuitvoerders vanaf 2015 geen beroep meer kunnen doen op de ‘btw koepelvrijstelling’ om een kleinere verlaging van het maximale opbouwpercentage te financieren. Als pensioenuitvoeringsorganisaties nu een beroep kunnen doen op een andere btw-vrijstelling, namelijk die voor het beheer van gemeenschappelijke beleggingsfondsen, valt ook een deel van de bekostiging van het pensioenakkoord weg.

Level playing field
Dit arrest markeert hopelijk het begin van een Europees level playing field voor het van btw vrijstellen van het vermogensbeheer en de uitvoeringskosten van pensioenfondsen. Een groot verschil in de Nederlandse btw-heffing ten opzichte van Duitsland, België en Luxemburg is nu weggenomen door het Hof van Justitie. Enerzijds moeten we daar blij mee zijn. Anderzijds is het jammer dat de Europese rechter dit heeft moeten oplossen en dat de lidstaten niet tot een overeenstemming hebben kunnen komen. Wellicht is dit een aansporing voor hen om andere dossiers (o.a. uitbesteding betalingsverkeer, schadebehandeling) wél gezamenlijk en voortvarend op te pakken.

Bron:  Hof van Justitie van de EU, 13 maart 2014, zaak C-464/12 (ATP PensionService A/S)

PwC Belastingnieuws