Het lukt banken nauwelijks om terrorismefinanciering op te sporen. Dit blijkt uit het proefschrift van politicoloog Esmé Bosma.

Banken monitoren dagelijks enorme hoeveelheden financiële transacties op verdachte transacties. Zo moeten ze bijdragen aan de bestrijding van witwassen en terrorismefinanciering. Politicoloog Esmé Bosma onderzocht hoe banken met digitale technologieën experimenteren en regels rond het bestrijden van terrorismefinanciering in praktijk brengen. In de praktijk lukt het nauwelijks transacties op te sporen die mogelijk verband houden met terrorismefinanciering, concludeert ze in haar proefschrift 'Bank as Security Actors: Countering Terrorist Financing at the Human-Technology Interface'. Tegelijkertijd heeft alle regelgeving wel maatschappelijke implicaties.

Om inzicht te krijgen in de dagelijkse dilemma’s waarmee banken worden geconfronteerd bij het detecteren van terrorismefinanciering, deed Bosma veldwerkobservaties in de financiële criminaliteitssector in Nederland en het Verenigd Koninkrijk. Ze achterhaalde hoe risicoprofielen tot stand komen die klanten als ‘acceptabel’ of ‘onacceptabel’ bestempelen. ‘Het dynamische proces van risicobeoordelingen, screening en monitoring is in toenemende mate afhankelijk van openbare bronnen en de data die ten grondslag ligt aan digitale technologieën.’

Bosma concludeert dat er een kloof is ontstaan tussen de regelgeving die banken verplicht tot het opsporen en voorkomen van terrorismefinanciering, en de daadwerkelijke praktijk bij banken. ‘Het screenen van terrorismelijsten is voor banken nog te doen, en natuurlijk moeten zij klantdossiers op orde maken’, stelt Bosma. ‘Maar het is enorm lastig transacties op te sporen die mogelijk verband houden met terrorismefinanciering.’ Dergelijke transacties komen volgens Bosma niet op de radar doordat het vaak om kleine bedragen draait, en het ook om legitiem geld zoals een salaris of uitkering kan gaan. ‘Dat maakt het wezenlijk anders dan witwassen.’

‘Als je vervolgens kijkt naar wat er met de meldingen van banken over ongebruikelijke transacties wordt gedaan’, vervolgt Bosma, ‘blijkt dat maar ongeveer 10 procent van hun meldingen tot verder onderzoek leidt, en dat zijn dan ook nog merendeels witwasverdenkingen.’ Meer effectiviteit wordt nu onder andere gezocht in kunstmatige intelligentie en in de intensivering van publiek-private samenwerking.

Tegelijkertijd heeft de regelgeving wel maatschappelijke implicaties, zoals de impact van grootschalige financiële surveillance op de privacy van burgers. Of de onbedoelde gevolgen van het systeem zoals de financiële uitsluiting van hoog-risico klantgroepen, wat veel non-profit organisaties die hulp willen bieden in risicogebieden overkomt. En de vervaging van wie verantwoording aflegt in een veiligheidscontext die steeds meer gedigitaliseerd is. ‘We moeten weten met welk doel het instrumentarium voor de bestrijding van terrorismefinanciering wordt gecreëerd en of deze doelen worden bereikt. Uiteindelijk is het een politieke kwestie welke rol private actoren spelen bij verreikende veiligheidsbeslissingen.’

Vrijdag 18 februari verdedigt Bosma haar proefschrift aan de Universiteit van Amsterdam.